ECLI:NL:RBDHA:2025:25275

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
26 december 2025
Zaaknummer
C/09/693233 / JE RK 25-1782
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige in belang van verzorging en opvoeding

De kinderrechter van de Rechtbank Den Haag heeft op 25 november 2025 een beschikking gegeven tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2008, in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging tot aan de meerderjarigheid van de minderjarige, omdat de situatie thuis onvoldoende veilig en ondersteunend is.

De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag, maar ervaren onmacht en overbelasting in het bieden van de noodzakelijke zorg. De minderjarige vertoont zelfbepalend gedrag, weigert hulpverlening en heeft geen volledige dagbesteding. Ondanks diagnostiek en een geadviseerde agressietraining is er weinig vooruitgang, mede door faalangst en gebrek aan motivatie.

De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De machtiging wordt verlengd tot aan de meerderjarigheid, en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt ook bij hoger beroep. De ouders en de gecertificeerde instelling waren aanwezig bij de zitting, en de minderjarige is naar zijn mening gevraagd, maar heeft deze niet gegeven.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot aan zijn meerderjarigheid en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/693233 / JE RK 25-1782
Datum uitspraak: 25 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Leiden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
beiden wonende in [woonplaats] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 oktober 2025, mee in de beoordeling.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft zijn mening niet gegeven.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn op [datum 1] 2003 met elkaar gehuwd.
2.2.
[minderjarige] is tijdens het huwelijk van de ouders geboren.
2.3.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.4.
[minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten [zorginstantie] .
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 mei 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot [datum 2] 2026.
2.6.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 augustus 2025 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 27 november 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen tot aan de meerderjarigheid, te weten tot [datum 2] 2026, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De ouders houden veel van [minderjarige] en willen het beste voor hem. Volgens de ouders zijn er goede momenten en minder goede momenten wanneer [minderjarige] thuis is. [minderjarige] stond open voor agressietraining, maar heeft zich weer teruggetrokken, waardoor de situatie nog ongewijzigd is. Hij houdt de hulpverlening af. De moeder ervaart de aangeboden hulp als te vrijblijvend en vraagt zich af of er niet meer kan worden ingezet.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
5.2.
Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken is gebleken dat de zorgen over [minderjarige] nog onverminderd aanwezig zijn. [minderjarige] heeft nog geen stappen weten te zetten en lijkt stil te staan in zijn ontwikkeling. Uit de stukken leidt de kinderrechter af dat dit mogelijk lijkt voort te komen uit een vorm van faalangst, wat ter zitting door zowel de ouders als de gecertificeerde instelling wordt beaamd. [minderjarige] gaat niet naar school en heeft geen volledige dagbesteding. Daarnaast gamet en blowt hij veel. Hij heeft recentelijk een keer gesolliciteerd voor een baan, maar hij heeft het gesprek zelf afgezegd, omdat hij bang was dat het hem niet ging lukken. Hoewel het positief is dat er in de afgelopen periode diagnostiek bij [minderjarige] is afgenomen, is gebleken dat de geadviseerde agressietraining moeilijk van de grond komt. [minderjarige] heeft bij het tweede gesprek aangegeven geen behandeling te willen. Het ontbreekt [minderjarige] nog altijd aan motivatie om aan hulpverlening mee te werken en hij vertoont veel weerstand richting professionals. Doordeweeks verblijft [minderjarige] bij [zorginstantie] en in het weekend bij de ouders. De ouders zijn erg liefdevol naar [minderjarige] , maar het lukt hen niet om [minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft. [minderjarige] vertoont zelfbepalend gedrag. Het is voor de ouders moeilijk om bij te sturen, consequenties te verbinden aan ongewenst gedrag en grenzen te stellen. De ouders ervaren onmacht en zijn overbelast, waardoor hij nog niet huis kan wonen. Hoewel [minderjarige] graag naar huis wil, is het onder de huidige omstandigheden nog noodzakelijk dat hij langer uit huis geplaatst wordt en het verblijf bij [zorginstantie] voortzet. Het is van belang dat de hulpverlening zal blijven proberen om [minderjarige] te motiveren voor behandeling en dat [minderjarige] zich hiervoor openstelt en daaraan meewerkt.
5.3.
De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen tot aan de meerderjarigheid, te weten tot [datum 2] 2026.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot [datum 2] 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025 door mr.drs. W.G. de Boer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Veiga als griffier, en op schrift gesteld op 5 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.