ECLI:NL:RBDHA:2025:25293

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
27 december 2025
Zaaknummer
C/09/672112 / FA RK 24-6434
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om gezamenlijk gezag, omgangsregeling en kinderalimentatie in een echtscheidingsprocedure

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 26 november 2025 een beschikking gegeven in een echtscheidingsprocedure tussen een vader en een moeder met betrekking tot hun minderjarige kinderen. De vader verzocht de rechtbank om gezamenlijk met de moeder belast te worden met het ouderlijk gezag over de kinderen, alsook om een zorg- en omgangsregeling vast te stellen. De moeder voerde verweer en verzocht om een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vader niet in staat is om gezamenlijk gezag uit te oefenen, gezien de gebrekkige communicatie tussen de ouders en het risico dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders. De rechtbank heeft het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag afgewijzen en heeft in plaats daarvan een omgangsregeling vastgesteld waarbij de kinderen om de week bij de vader verblijven. Tevens is de vader verplicht om maandelijks een bijdrage van € 25,- per kind te betalen aan de moeder. De rechtbank heeft de afspraken over de omgang en de kinderalimentatie vastgelegd en verklaard dat deze beschikking uitvoerbaar is bij voorraad.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-6434
Zaaknummer: C/09/672112
Datum beschikking: 26 november 2025
Gezag, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang, informatie- en consultatieregeling en alimentatie

Beschikking op het op 6 september 2024 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C. van der Zalm te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.J. Vroegindeweij te Katwijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift met producties;
  • het verweerschrift met producties, tevens zelfstandig verzoek;
  • het F4-bericht van 28 oktober 2025 van de zijde van de vader.
Op 29 oktober 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de advocaat van de vader;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Feiten

- De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad van 2018 tot het begin van 2023, waarbij zij hebben samengewoond.
- Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats] ,
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] .
- De vader heeft de kinderen erkend.
- De moeder is van rechtswege alleen belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
- Blijkens de Basisregistratie Persoonsgegevens staan de kinderen ingeschreven op het adres van de moeder.
- In december 2024 zijn de ouders onder meer een voorlopige omgangs- en informatie- en consultatieregeling alsook een voorlopige kinderalimentatie overeengekomen. Deze afspraken zijn door de ouders vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst die door de rechtbank is opgenomen in de beschikking van 20 december 2024 op het verzoek om een voorlopige voorziening. De ouders hebben – voor zover hier aan de orde – afgesproken dat:
 de kinderen eenmaal per veertien dagen een weekend van vrijdag uit school/de opvang tot zondag 19.00 uur bij de vader verblijven, waarbij de vader de kinderen uit school/de opvang/bij de moeder ophaalt en de moeder de kinderen op zondag bij de vader ophaalt. Daarnaast hebben de ouders de vakanties en feestdagen voorlopig verdeeld;
 de moeder de vader ten minste maandelijks informeert en in een zo vroeg mogelijk stadium consulteert bij het nemen van belangrijke beslissingen over de kinderen;
 de vader vanaf 1 augustus 2024 een bedrag van € 25,- per kind per maand zal betalen aan de moeder bij wijze van bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen, welke kinderalimentatie jaarlijks op 1 januari geïndexeerd zal worden;
een en ander totdat de rechtbank in de bodemprocedure heeft beslist of partijen andere afspraken overeenkomen.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt de rechtbank:
  • hem gezamenlijk met de moeder te belasten met het ouderlijk gezag over de kinderen;
  • een zorg- dan wel omgangsregeling te bepalen waarbij de kinderen:
 in de ene week van vrijdag na school (15.00 uur) tot en met zondag 19.00 uur en in de andere week van vrijdag na school (15.00 uur) tot en met zaterdagochtend 11.30 uur bij de vader zullen verblijven;
 door de ouder waar de kinderen op dat moment verblijven naar de andere ouder zullen worden gebracht tijdens een wisselmoment;
althans een zodanige zorg- dan wel omgangsregeling als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
- te bepalen dat de feestdagen en vakanties bij helfte worden verdeeld conform het voorstel uit het verzoekschrift.
Indien de vader niet mede wordt belast met het gezag, verzoekt hij een informatie- en consultatieregeling te bepalen waarbij de moeder de vader minstens een keer per maand per e-mail informeert over de kinderen en de vader vooraf in een zo vroeg mogelijk stadium consulteert bij het nemen van belangrijke beslissingen over de kinderen, althans een informatie- en consultatieregeling die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt te bepalen dat de vader aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 25,- per maand per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Beoordeling

Gezag
Wettelijk kader
Uit artikel 1:253c lid 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de tot gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten. Als algemeen uitgangspunt geldt dat gezamenlijk gezag in het belang van de minderjarige moet worden geacht. Dit verzoek wordt, indien de andere ouder hiermee niet instemt, slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
De vader stelt dat hij door het ontbreken van gezamenlijk gezag aanzienlijk in zijn vaderlijke rol wordt beperkt. Tot de relatiebreuk droegen de ouders de verzorging en opvoeding samen en daarna heeft de man tot juli 2024 een rol gespeeld in het leven van de kinderen. De vader wenst betrokken te worden bij belangrijke beslissingen aangaande de kinderen en wijst ook op het praktische belang van het hebben van ouderlijk gezag, bijvoorbeeld voor het geval hij in de toekomst met de kinderen naar de dokter moet of er iets zou gebeuren met de moeder. Volgens de vader is het in het belang van de kinderen dat de ouders gezamenlijk het gezag hebben. De vader stelt dat hij bereikbaar is voor de moeder, dat hij in staat en bereid is om met de moeder te communiceren over de belangrijke beslissingen over de kinderen en dat hij, indien dat nodig blijkt, open staat voor hulpverlening gericht op het verbeteren van de onderlinge communicatie.
De moeder stelt dat de ouders niet toe zijn aan gezamenlijk gezag. Er is volgens de moeder sprake van slechte communicatie waarbij de vader regelmatig onbereikbaar is, niet reageert en zijn afspraken niet nakomt. Het lijkt de moeder op dit moment niet mogelijk om gezamenlijk aanvragen te doen of beslissingen te nemen over de kinderen. De moeder verwacht niet dat hier binnen afzienbare tijd verandering in komt, waardoor de kans groot is dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders.
De rechtbank zal het verzoek van de vader om gezamenlijk met de moeder te worden belast met het gezag over de kinderen afwijzen en legt dit uit als volgt. Om het gezag over de kinderen gezamenlijk te kunnen uitoefenen, is het nodig dat tussen de ouders constructieve communicatie mogelijk is. Uit door de moeder overgelegde stukken blijkt dat hier geen sprake van is. De vader reageert regelmatig niet op berichten van de moeder die de kinderen betreffen of bijvoorbeeld op haar verzoek aan de vader om aanwezig te zijn bij een gesprek op school. Daarnaast is het de rechtbank gebleken dat de omgangsafspraken door de vader niet altijd worden nagekomen, waarna er tussen de ouders discussies ontstaan. Verder blijkt uit de door de moeder overgelegde berichten dat de vader op enig moment heeft gesteld de kinderen voorlopig niet te willen zien, totdat de moeder tekent voor gezamenlijk gezag. De vader heeft dit niet betwist. Bij deze stand van zaken is er naar het oordeel van de rechtbank een groot risico aanwezig dat de kinderen klem of verloren zullen raken tussen de ouders en valt niet te verwachten dat hier binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in zal komen.
Omgang en vakantieregeling
Omdat de moeder alleen belast zal blijven met het gezag over de kinderen, zal de rechtbank in het vervolg spreken over een omgangsregeling.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:377a lid 1 BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel het recht op omgang ontzegt.
Inhoudelijke beoordeling
De vader wijst op het (internationale) recht van kinderen om met beide ouders contact te hebben en benadrukt de verplichting die de moeder heeft om de band tussen de kinderen en de vader te bevorderen. Volgens de vader is het niet in het belang van de kinderen om geen contact met hun vader te hebben en is er geen sprake van één van de wettelijke ontzeggingsgronden voor omgang. De vader geeft aan dat hij achteraf bezien niet juist heeft gehandeld door de omgang eerder dit jaar stop te zetten en stelt dat hij in staat is de omgangsregeling voortaan na te komen. Daarnaast zou de vader graag zien dat de vakanties en feestdagen worden verdeeld op de wijze die hij voorstelt in het verzoekschrift, zodat hij een langere tijd met de kinderen kan doorbrengen en een band met hen kan opbouwen.
De moeder stelt dat de vader de door de ouders onderling overeengekomen voorlopige omgangsregeling al geruime tijd niet nakomt. Indien de vader deze regeling structureel wil nakomen, verzet de moeder zich daar niet tegen, maar zij verzet zich wel tegen de meer uitgebreide regeling die de vader verzoekt. Voor wat de verdeling van vakanties en feestdagen betreft geeft de moeder aan dat de vader de voorlopige regeling hieromtrent nooit (volledig) is nagekomen, hetgeen tot teleurstelling bij de kinderen heeft geleid en tot gevolg had dat de moeder het moest ‘oplossen’ door de kinderen in hun vakantie mee naar werk te nemen.
Bij de beoordeling van dit verzoek stelt de rechtbank voorop dat het in het belang van (de ontwikkeling van) [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is om met beide ouders contact te hebben. Daarbij is het belangrijk dat de omgang tussen de vader en de kinderen structureel plaatsvindt en dat de kinderen en de moeder erop kunnen vertrouwen dat de vader de omgangsregeling nakomt. Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken komt enerzijds naar voren dat het de vader kennelijk niet lukte om de omgangsafspraken altijd (volledig) na te komen en dat hij de omgang in mei heeft stopgezet. Anderzijds blijkt daaruit ook dat de kinderen het naar hun zin hadden bij de vader wanneer er wel omgang was. De rechtbank ziet in het plotseling stoppen met de omgang en het niet stipt nakomen van de omgang reden om de voorlopig vastgestelde omgangsregeling niet uit te breiden. In plaats daarvan stelt de rechtbank deze regeling definitief vast, in die zin dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] om de week bij de vader zullen zijn op vrijdag vanaf 18.00 uur tot zondag 19.00 uur. Op de zitting is afgesproken dat deze regeling zal ingaan op vrijdag 14 november 2025. De rechtbank acht het van zeer groot belang dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] niet nogmaals meemaken dat de omgang met de vader plotseling wegvalt of wordt stopgezet. Dit is voor de ontwikkeling van de kinderen namelijk zeer schadelijk. Met het oog hierop en op het verleden zou de rechtbank een dwangsom aan de vader willen opleggen om voor de kinderen tot stand te brengen dat hun vader de omgang altijd stipt nakomt. Evenwel is een dwangsom niet verzocht en de Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 13 oktober 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1459) overwogen dat een dwangsom niet ambtshalve mag worden opgelegd.
Ook het verzoek om een verdeling van de vakanties en feestdagen vast te stellen is tijdens de zitting besproken. In dit verband hebben de ouders afgesproken dat, indien de vader in de schoolvakanties een aantal aaneengesloten dagen met de kinderen wil doorbrengen, hij dit in onderling overleg met de moeder kan regelen. De moeder staat hier welwillend tegenover en heeft toegezegd dat wanneer de vader dit tijdig aangeeft, zij hier graag aan meewerkt. Deze afspraak leent zich niet voor opname in het dictum, maar de rechtbank verwacht dat de ouders zich hieraan zullen houden. De rechtbank acht deze afspraak in het belang van de kinderen, nu zij ervan uitgaat dat wanneer de vader ad hoc een dergelijke afspraak met de moeder maakt, hij zich ervan zal verzekeren dat hij in de door hem verzochte dagen daadwerkelijk beschikbaar zal zijn voor de kinderen. Dit is de vader niet gelukt in de afgelopen periode, toen er een voorlopige vakantie- en feestdagenregeling gold. Op basis van het verleden en de gemaakte afspraken voor de toekomst, zal de rechtbank het verzoek van de vader om een vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen afwijzen.
Informatie- en consultatieregeling
Ten aanzien van het verzoek van de vader om, indien hij niet met het gezag wordt belast, een informatie- en consultatieregeling vast te stellen, voert de moeder aan dat hierover al afspraken zijn gemaakt in de vaststellingsovereenkomst die is opgenomen in de beschikking van 20 december 2024. De moeder heeft geen bezwaar tegen het definitief vaststellen van die afspraak. Daarom zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.
Kinderalimentatie
De moeder stelt dat de ouders in de voornoemde vaststellingsovereenkomst ook hebben afgesproken dat de vader maandelijks een bijdrage in de kosten en verzorging van de kinderen zal betalen van € 25,- per kind. De moeder verzoekt de rechtbank om deze afspraak vast te stellen. De vader voert tegen dit verzoek geen verweer. Daarom zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarigen:
  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats] ;
  • [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] ;
bij de vader zullen zijn om de week op vrijdag vanaf 18.00 uur tot zondag 19.00 uur, met ingang van 14 november 2025;
*
bepaalt dat de moeder de vader met ingang van heden ten minste maandelijks per e-mail informeert over de ontwikkeling en het welzijn van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , alsmede over hun vrijetijdsbesteding, medische kwesties, vakanties en uitjes naar het buitenland met precieze bestemming en informatie over financiële kwesties aangaande de kinderen, en dat zij de vader vooraf in een zo vroeg mogelijk stadium consulteert bij het nemen van belangrijke beslissingen over de kinderen;
*
bepaalt de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met ingang van heden op een bedrag van € 25,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen en jaarlijks op 1 januari te indexeren;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het anders of meer verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, kinderrechter, bijgestaan door
mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 26 november 2025.