In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 20 november 2025 uitspraak gedaan in een asielprocedure van een Eritrese vreemdeling die een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd had ingediend. De vreemdeling, eiser, stelde dat hij minderjarig was en had een aanvraag ingediend op 25 maart 2023. De minister van Asiel en Migratie had de aanvraag ingewilligd, maar betwistte de door eiser opgegeven geboortedatum van 2008, en ging uit van een geboortedatum van 2003 die eiser in Italië had opgegeven. Eiser voerde aan dat de minister niet deugdelijk had gemotiveerd waarom de Italiaanse registratie als meerderjarig moest worden gevolgd en dat de leeftijdsschouw niet op wetenschappelijke inzichten berustte.
De rechtbank heeft de zaak op 17 oktober 2025 behandeld en geconcludeerd dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de geboortedatum van eiser niet geloofwaardig was. De rechtbank oordeelde dat de minister de presumptie van minderjarigheid niet had ontzenuwd en dat de leeftijdsschouwen niet inzichtelijk en concludent waren. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit van de minister en droeg deze op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen over de leeftijd van eiser, met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.