ECLI:NL:RBDHA:2025:25408

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
NL25.10102
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag en de beoordeling van de geboortedatum van een Eritrese vreemdeling

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 20 november 2025 uitspraak gedaan in een asielprocedure van een Eritrese vreemdeling die een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd had ingediend. De vreemdeling, eiser, stelde dat hij minderjarig was en had een aanvraag ingediend op 25 maart 2023. De minister van Asiel en Migratie had de aanvraag ingewilligd, maar betwistte de door eiser opgegeven geboortedatum van 2008, en ging uit van een geboortedatum van 2003 die eiser in Italië had opgegeven. Eiser voerde aan dat de minister niet deugdelijk had gemotiveerd waarom de Italiaanse registratie als meerderjarig moest worden gevolgd en dat de leeftijdsschouw niet op wetenschappelijke inzichten berustte.

De rechtbank heeft de zaak op 17 oktober 2025 behandeld en geconcludeerd dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de geboortedatum van eiser niet geloofwaardig was. De rechtbank oordeelde dat de minister de presumptie van minderjarigheid niet had ontzenuwd en dat de leeftijdsschouwen niet inzichtelijk en concludent waren. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit van de minister en droeg deze op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen over de leeftijd van eiser, met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.10102
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).

Inleiding

1. Eiser heeft op 25 maart 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Eritrese nationaliteit te zijn. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 februari 2025 deze aanvraag ingewilligd.
2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, omdat de minister volgens hem van een onjuiste geboortedatum uit gaat.
3. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
4. De rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
5. De minister heeft eisers asielaanvraag ingewilligd. De minister vindt alleen de geboortedatum die eiser heeft opgegeven, [geboortedatum 1] 2008, niet geloofwaardig. Eiser heeft de Europese Unie betreden via Italië en heeft daar als geboortedatum opgegeven [geboortedatum 2] 2003. De minister gaat in het bestreden besluit uit van die geboortedatum. De minister heeft ook een leeftijdsschouw (schouw) gedaan en op basis daarvan geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. De minister heeft op de zitting zijn standpunt dat niet aannemelijk is dat eiser minderjarig is, aangevuld. De minister betrekt bij de beoordeling van eisers leeftijd namelijk ook dat eiser een geboorteakte heeft overgelegd die volgens Bureau Documenten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is en dat eiser niet eenduidig heeft verklaard over hoe hij die geboorteakte heeft verkregen.

Wat voert eiser aan?

6. Eiser voert aan dat de minister zijn in Nederland gestelde geboortedatum van [geboortedatum 1] 2008 ten onrechte niet geloofwaardig vindt. Volgens eiser heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd waarom wordt uitgegaan van de leeftijdsregistratie in Italië en welk gewicht daaraan toekomt. Verder voert eiser aan dat de schouw niet een op wetenschappelijke inzichten berustende methode is om de leeftijd vast te stellen. Op de zitting heeft eiser aangevoerd dat de conclusies van de schouw niet deugdelijk zijn gemotiveerd, omdat niet inzichtelijk is hoe de observaties tijdens de schouw zijn verbonden aan de conclusies. Verder voert eiser aan dat de minister heeft miskend dat hij in bewijsnood verkeert, omdat uit het Algemeen ambtsbericht Eritrea van mei 2022 blijkt dat het voor eiser niet mogelijk is om identificerende documenten te verkrijgen.
Leeftijdsschouw
7. Het is in beginsel aan de vreemdeling om zijn geboortedatum aannemelijk te maken, waarbij een vrije bewijsleer geldt en waarbij de minister een samenwerkingsplicht heeft om de vreemdeling daarbij te helpen. Eiser stelt minderjarig te zijn. Hij heeft daartoe een geboorteakte overgelegd, maar volgens Bureau Documenten is die akte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt. Deze conclusie is door eiser niet betwist. Volgens het beleid van de minister vindt bij een alleenstaande minderjarige vreemdeling die zijn minderjarigheid niet met authentieke identiteitsdocumenten kan aantonen, tijdens de aanmeldfase een leeftijdsschouw plaats.1
8. Voor zover eiser aanvoert dat de schouw in het algemeen een niet op wetenschappelijke inzichten berustende methode is om vast te stellen of er twijfel is over de leeftijd van een vreemdeling, volgt de rechtbank dit standpunt niet. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 augustus 20252 blijkt dat de leeftijdsschouw een bruikbaar middel is voor de vaststelling of er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd van een vreemdeling. Wel is van belang dat sprake is van een zorgvuldige leeftijdsschouw. Om daartoe te komen moet de verslaglegging zorgvuldig gebeuren en moeten alle observaties, vanaf de ontmoeting tot de afsluiting, in het verslag staan beschreven. Ook moet de conclusie van de schouw in de verslaglegging worden verbonden aan de observaties die zijn gedaan tijdens de schouw. De minister moet daarbij de uiterlijke kenmerken, verklaringen en gedragingen van een vreemdeling betrekken. Alleen dan is een schouw voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent.
9. De rechtbank is van oordeel dat zowel de schouw die door de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) is verricht als die door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is verricht niet inzichtelijk en concludent is.
10. In het proces verbaal van het verhoor heeft de AVIM een opsomming gegeven van lichamelijke kenmerken. Ook heeft de AVIM het gedrag van eiser tijdens het verhoor beschreven. Vervolgens wordt geconcludeerd dat op basis van “bovenstaande verklaringen en signalen” zij unaniem oordelen dat geconcludeerd kan worden dat eiser meerderjarig is. In het proces-verbaal ontbreekt echter een verbinding tussen de observaties en de bevindingen en de conclusies die de AVIM daaruit trekt. Wel wordt nog opgemerkt dat “de uiterlijke kenmerken van betrokkene passen bij zowel een jong volwassene alsmede zijn gedrag”. De schouwers leggen in het proces-verbaal niet uit waarom de lichamelijke kenmerken en het gedrag van eiser passend zijn bij een jong volwassene. Evenmin wordt uitgelegd welke signalen hebben geleid tot de conclusie dat eiser meerderjarig is en waarom deze signalen daartoe hebben geleid.
11. Ook in het rapport van de schouw3 van de IND ontbreekt een verbinding tussen de observaties en de conclusie die de IND daaruit trekt. Het rapport bevat een opsomming van de lichamelijke kenmerken en een beschrijving van het gedrag van eiser tijdens het gehoor. Verder worden de verklaringen van eiser over onder andere zijn leeftijd waarop hij gestart en gestopt is met school en zijn leeftijd ten tijde van het overlijden van zijn ouders betrokken bij de schouw. De minister komt tot de conclusie dat de verklaringen overeenkomen met de opgegeven leeftijd, maar dat eiser geen jaartallen kan geven. Verder concludeert de minister dat zijn uiterlijke kenmerken overeenkomen met die van een volwassen persoon. Ook in dit rapport wordt dit verder niet uitgelegd. Vervolgens staat vermeld dat “op basis van bovenstaande verklaringen en signalen” geconcludeerd kan worden dat eiser meerderjarig is. De rechtbank kan uit het verslag niet opmaken welke signalen hebben bijgedragen aan die conclusie.
12. De conclusie is dan ook dat beide leeftijdsschouwen niet inzichtelijk en concludent zijn. Dat betekent dat deze schouwen geen bruikbaar middel zijn om uitspraken te doen over de vraag of al dan niet getwijfeld moet worden aan de verklaring van eiser dat hij minderjarig is. De minister moet in dat geval uitgaan van de presumptie (het vermoeden) van minderjarigheid en het is aan haar om dat te ontzenuwen.4
Leeftijdsregistratie in Italië en geboorteakte
13. De minister heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat ook als de schouw naar het oordeel van de rechtbank niet zorgvuldig is uitgevoerd, dat de presumptie van minderjarigheid is ontzenuwd. Dit omdat uit de leeftijdsregistratie van Italië blijkt dat eiser is geregistreerd als meerderjarig en omdat hij een met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echte geboorteakte heeft overgelegd. Ook heeft eiser niet eenduidig verklaard over hoe hij de geboorteakte heeft verkregen.

Registratie in Italië

14. Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 20245 volgt dat de minister zich niet kan beroepen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel als hij een leeftijdsregistratie in een andere EU-lidstaat betrekt bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling. De minister mag wel gewicht toekennen aan de leeftijdsregistratie in een andere lidstaat, maar zal steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Daarbij zal de minister zo mogelijk moeten toelichten waarop de leeftijdsregistratie in de andere lidstaat is gebaseerd. Als aan een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal verweerder moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring, omdat deze afwijking in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen.
15. De rechtbank overweegt dat uit de overgelegde gegevens van de minister blijkt dat in Italië geen leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden en dat geen sprake is geweest van ‘age testing’. De minister gaat er – zo is op de zitting bevestigd – vanuit dat de leeftijdsregistratie in Italië is gedaan op basis van eisers eigen verklaring over zijn leeftijd. De rechtbank constateert dat de minister eiser vervolgens geen gelegenheid heeft geboden om een verklaring te geven voor de afwijkende verklaring over zijn geboortedatum. In het aanmeldgehoor van 1 augustus 2023 heeft de minister een aantal vragen gesteld aan eiser over de leeftijdsregistratie in Italië, maar heeft eiser niet geconfronteerd met het feit dat deze leeftijdsregistratie afwijkt van de in Nederland gestelde geboortedatum.6 Dat betekent dat de minister niet heeft geïnformeerd onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd en daar ook geen onderzoek naar heeft gedaan. Zonder onderzoek naar deze feiten en omstandigheden, heeft de minister zich niet (gemotiveerd) op het standpunt kunnen stellen dat wegens het ontbreken van een plausibele verklaring van de leeftijdsregistratie in Italië kan worden uitgegaan. De leeftijdsregistratie in Italië is daarmee onvoldoende om de presumptie van minderjarigheid te ontzenuwen.
Geboorteakte en verklaringen daarover
16. Voor zover de minister zich op het standpunt stelt dat de overgelegde geboorteakte en de verklaringen de presumptie van minderjarigheid ontzenuwen, kan de rechtbank dit standpunt niet volgen. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
17. Bureau Documenten heeft eisers overgelegde geboorteakte onderzocht op echtheid. Bureau Documenten heeft geconcludeerd dat de geboorteakte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is. De minister kan deze conclusie gebruiken voor de beoordeling of eiser zijn gestelde leeftijd aannemelijk heeft gemaakt en met documenten heeft onderbouwd. Maar uit deze conclusie blijkt op zichzelf niet dat eiser daarom ook meerderjarig is. Datzelfde geldt voor de enkele omstandigheid dat eiser volgens de minister tegenstrijdig heeft verklaard over het verkrijgen van de geboorteakte. Voor zover al van tegenstrijdige verklaringen sprake is, kan dat betrokken worden bij een beoordeling van de waarde die al dan niet aan de overgelegde documenten kan worden gehecht. Maar ook dat kan op zichzelf niet tot de conclusie leiden dat eiser dus als meerderjarig moet worden aangemerkt.

Conclusie geloofwaardigheid geboortedatum

18. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister het vermoeden van minderjarigheid niet heeft ontzenuwd. Ook heeft de minister onvoldoende onderzocht en gemotiveerd dat eisers gestelde geboortedatum niet geloofwaardig wordt gevonden en dat uit kan worden gegaan van de in Italië geregistreerde geboortedatum.

Conclusie en gevolgen beroep

19. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel7 en het motiveringsbeginsel.8 De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, voor zover daarin is beslist dat de door eiser gestelde geboortedatum van [geboortedatum 1] 2008 niet geloofwaardig wordt gevonden en wordt uitgegaan van de in Italië geregistreerde geboortedatum van [geboortedatum 2] 2003. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover dat wordt vernietigd, in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat de minister de geloofwaardigheid van eisers leeftijd opnieuw zal moeten beoordelen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het oordeel van de rechtbank geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen over de leeftijd van eiser met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
20. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 5 februari 2025, voor zover daarin is beslist dat de door eiser gestelde geboortedatum niet geloofwaardig wordt gevonden en uit wordt gegaan van de geboortedatum van [geboortedatum 2] 2003, en laat het bestreden besluit voor het overige in stand;
  • draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen over de leeftijd en geboortedatum van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 20 november 2025

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
1. Paragraaf C1/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
2 Uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3801.
3 Aanmeldgehoor van 1 augustus 2023, pagina 8.
4 Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992, overweging 6.9 tot en met 7.3.
5 Uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992.
6 Aanmeldgehoor van 1 augustus 2023, pagina 6 en 7.
7 Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
8 Artikel 3:46 van de Awb.

Documentcode: [Documentcode]