Eiser, een Ghanees kind geboren in 2007, heeft meerdere malen een machtiging voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd om bij zijn vader in Nederland te verblijven. De vader, referent, woont al lang in Nederland en heeft het gezag over eiser niet voldoende aangetoond. De minister wees de aanvraag in 2020 af wegens onvoldoende bewijs van het gezag en de feitelijke gezinsband. De rechtbank verklaarde het beroep toen ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde deze uitspraak en verwees de zaak terug vanwege een gewijzigd toetsingskader voor gewoonterechtelijke erkenning.
In afwachting van de terugverwijzing diende eiser in februari 2025 een nieuwe aanvraag in die werd ingewilligd, waarna hij naar Nederland kwam. Eiser betoogt dat hij nog steeds belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep en verzoekt om een eerdere ingangsdatum van het verblijfsrecht en vergoeding van proceskosten. De rechtbank oordeelt dat hoewel het gewijzigde toetsingskader ertoe leidt dat de vader als gezaghebbende ouder wordt beschouwd, eiser onvoldoende heeft aangetoond dat er een feitelijke gezinsband is die een eerdere verblijfsdatum rechtvaardigt.
De rechtbank wijst het beroep af en oordeelt dat er geen aanleiding is voor proceskostenvergoeding, omdat de minister niet onrechtmatig heeft gehandeld. Het beroep is daarmee ongegrond verklaard, en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter E.E.M. van Abbe op 12 december 2025.