ECLI:NL:RBDHA:2025:25426

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
691655
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis inzake inbreuk op handelsnamen door Stichting Natuur- en Vogelwacht Biesbosch

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 24 december 2025 een vonnis gewezen in een geschil tussen Stichting Natuur- en Vogelwacht Biesbosch (hierna: Stichting NVB) en gedaagden, waaronder een natuurlijke persoon en de besloten vennootschap Natuur-Wetenschappelijk Centrum B.V. (NWC). Stichting NVB vorderde dat gedaagden zouden worden verboden om inbreuk te maken op haar handelsnamen, die identiek of verwarrend overeenstemmend zijn aan de handelsnamen van gedaagden. De rechtbank oordeelde dat gedaagden geen verweer hebben gevoerd en dat de vorderingen van Stichting NVB grotendeels toewijsbaar zijn. De rechtbank heeft bepaald dat gedaagden binnen twee dagen na betekening van het vonnis iedere inbreuk op de handelsnamen van Stichting NVB moeten staken en gestaakt moeten houden. Tevens zijn gedaagden veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 1.000,- per dag bij overtreding van deze beslissing, met een maximum van € 50.000,-. De proceskosten zijn begroot op € 1.654,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaak - / rolnummer: C/09/691655 / HA ZA 25-816
Vonnis van 24 december 2025
in de zaak van
STICHTING NATUUR- EN VOGELWACHT BIESBOSCHte Dordrecht,
eiseres,
hierna te noemen: Stichting NVB,
advocaat: mr. B.A. Peper,
tegen

1.[gedaagde] te [woonplaats] ,2. NATUUR-WETENSCHAPPELIJK CENTRUM B.V. te Dordrecht,

gedaagden,
hierna te noemen: gedaagden en afzonderlijk [gedaagde] en NWC,
geen advocaat.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 7 april 2025 met EP01 tot en met EP23;
- het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 5 juni 2025 waarbij de zaak op grond van artikel 46b Wet RO [1] is verwezen naar de kantonrechter van de rechtbank Den Haag;
- het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 28 augustus 2025 waarbij de zaak op grond van artikel 71 Rv [2] is verwezen naar team handel van de rechtbank Den Haag.
1.2.
Gedaagden hebben vervolgens geen advocaat gesteld. Tegen hen is op 8 oktober 2025 akte niet verschijnen verleend. Op 20 oktober 2025 heeft Stichting NVB verzocht om het wijzen van eindvonnis en veroordeling van gedaagden bij verstek.
1.3.
De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat het vonnis vandaag wordt gewezen.

2.De feiten

2.1.
Stichting NVB is een in 1983 opgerichte vrijwilligersorganisatie die gericht is op de behartiging van natuurbelangen op het eiland van Dordrecht.
2.2.
Stichting NVB voert reeds decennialang de volgende handelsnamen: Natuur-Wetenschappelijk Centrum, NWC, NWC-advies, NWCadvies, Twintighoeven, Natuur Informatie Centrum, LOP-Dordrecht en Landschapsonderhoudproject (LOP) (hierna: de Handelsnamen van Stichting NVB).
2.3.
[gedaagde] is een natuurlijke persoon die op enig moment beroep heeft aangetekend tegen een besluit van 13 november 2012 van de Gemeenteraad van Dordrecht over het bestemmingsplan, waarin een deel van de agrarische gronden van het buitengebied van de gemeente Dordrecht een natuurbestemming heeft gekregen als onderdeel van de Nieuw Dordtse Biesbosch. In zijn beroep voerde [gedaagde] aan dat het rapport van de werkgroep het Natuur-Wetenschappelijk Centrum van Stichting NVB – dat ten grondslag lag aan het voornoemde besluit – door een niet-bestaande entiteit was opgesteld, aangezien het Natuur-Wetenschappelijk Centrum volgens hem geen rechtspersoon zou zijn. Bij beslissing van 19 maart 2014 heeft de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat betoog verworpen en het beroep van [gedaagde] ongegrond verklaard.
2.4.
Op 27 februari 2015 heeft [gedaagde] de besloten vennootschap Natuur-Wetenschappelijk Centrum B.V. opgericht. [gedaagde] is enig aandeelhouder en enig bestuurder van die vennootschap. Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel volgt dat [gedaagde] de volgende handelsnamen heeft geregistreerd, die hierna zullen worden aangeduid als ‘de Handelsnamen van gedaagden’: Natuurwetenschappelijk Centrum, Natuur-Wetenschappelijk Centrum B.V., NWC, NWC-advies, NWCadvies, Twintighoeven, LOP-Dordrecht, Landschapsonderhoudproject (LOP) en Natuur Informatie Centrum (NIC).
2.5.
Naast het registreren van voornoemde handelsnamen, presenteert [gedaagde] zich onder meer in e-mailberichten naar buiten toe onder de naam Natuur-Wetenschappelijk Centrum. In die berichten – die [gedaagde] heeft gestuurd aan Arcadis N.V., een klant van Stichting NVB, en aan de Provincie Zuid-Holland – verzoekt [gedaagde] om een vergoeding voor het gebruik van de Handelsnamen van gedaagden.
2.6.
Op 29 november 2022 heeft Stichting NVB [gedaagde] schriftelijk gesommeerd om te stoppen met verdachtmakingen, smadelijke opmerkingen en het in twijfel trekken van de legitimiteit van Stichting NVB. Na een herinneringsmail van 5 december 2022, heeft [gedaagde] bij bericht van 6 december 2022 aan Stichting NVB aangeboden om zijn handelsnaam althans handelsnamen tegen betaling over te nemen.
2.7.
Bij brief van 29 augustus 2024 heeft (de advocaat van) Stichting NVB [gedaagde] onder meer gesommeerd de inbreuk op haar intellectuele eigendomsrechten te staken, waarna op 9 september 2024 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen [gedaagde] en de advocaten van Stichting NVB. [gedaagde] zei tijdens dat gesprek dat hij geen gehoor zou geven aan de sommaties. Vervolgens heeft Stichting NVB onderhavige procedure aanhangig gemaakt.

3.Het geschil

3.1.
Stichting NVB vordert – samengevat weergegeven – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. [gedaagde] beveelt om, met onmiddellijke ingang na betekening van het vonnis, iedere inbreuk op de handelsnamen van Stichting NVB te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder om [gedaagde] te verbieden de handelsnamen die identiek of verwarringswekkend overeenstemmend zijn aan Natuur-Wetenschappelijk Centrum, Natuur-Wetenschappelijk Centrum BV., NWC, NWC-advies, NWCadvies, Twintighoeven, LOP-Dordrecht, Landschapsonderhoudproject (LOP) en Natuur Informatie Centrum (NIC), te gebruiken;
II. [gedaagde] beveelt om, met onmiddellijke ingang na betekening van het vonnis, iedere handelsnaam die identiek of overeenstemmend is aan de handelsnamen van Stichting NVB zoals genoemd onder I, uit te (laten) schrijven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en deze uitgeschreven te houden;
III. [gedaagde] veroordeelt om aan Stichting NVB een dwangsom van € 5.000 te betalen voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat [gedaagde] in strijd handelt met het hierover onder I en/of II gevorderde, waarbij iedere handelsnaam als een afzonderlijke inbreuk wordt gezien;
IV. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten, bestaande uit gerechtskosten en de andere feitelijke door Stichting NVB gemaakte kosten, waaronder het volledige salaris en de voorschotten van haar advocaten in de zin van artikel 1019h Rv, dan wel een ander in goede justitie te bepalen bedrag ter vergoeding van de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die eiseres heeft gemaakt, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na het wijzen van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
3.2.
Stichting NVB legt aan haar vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag. [gedaagde] maakt inbreuk op de Handelsnamen van Stichting NVB in de zin van artikel 5 Hnw [3] , omdat de Handelsnamen van gedaagden identiek zijn aan de oudere Handelsnamen van Stichting NVB. Bovendien richten beide partijen zich op dezelfde bedrijfsactiviteiten, waaronder “organisatieadviesbureaus” en “natuurbehoud”, zoals volgt uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel van Natuur-Wetenschappelijk Centrum B.V. Derhalve dient het gebruik van de door [gedaagde] geregistreerde handelsnamen door gedaagden op grond van artikel 5 Hnw verboden te worden.
3.3.
Gedaagden hebben geen verweer gevoerd.
3.4.
Op de stellingen van Stichting NVB wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Verschijning van gedaagden
De gang van zaken
4.1.
Uit het verwijzingsvonnis van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 5 juni 2025 blijkt dat [gedaagde] tijdens de rolzitting van 22 mei 2025 is verschenen. [gedaagde] heeft tijdens die rolzitting verzocht om uitstel voor het indienen van een conclusie van antwoord. Dat verzoek is toegewezen en de zaak is verwezen naar de rol van 19 juni 2025 voor conclusie van antwoord.
4.2.
Voordat [gedaagde] deze conclusie van antwoord heeft genomen, heeft de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 5 juni 2025 op grond van artikel 46b RO de zaak ter verdere behandeling verwezen naar de kantonrechter van de rechtbank Den Haag. Naar haar oordeel was behandeling van de zaak door de rechtbank Den Haag gewenst vanwege betrokkenheid van de rechtbank Rotterdam bij de zaak.
4.3.
Bij vonnis van 28 augustus 2025 van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag is de zaak op grond van artikel 71 Rv verwezen naar team handel van de rechtbank Den Haag. De kantonrechter achtte zich niet bevoegd om van de vorderingen van Stichting NVB kennis te nemen. In het vonnis heeft de kantonrechter partijen erop gewezen dat zij in het vervolg van de procedure moeten worden vertegenwoordigd door een advocaat.
Het juridisch kader
4.4.
Indien een al lopende kantonprocedure door de kantonrechter wordt verwezen naar de civiele kamer op grond van artikel 71 Rv, zullen partijen alsnog advocaat moeten stellen op grond van artikel 79 lid 2 Rv. Op grond van de omstandigheid dat vóór de verwijzing verrichte proceshandelingen na verwijzing geldig blijven, zal een eenmaal in het geding verschenen partij ook na verwijzing moet worden aangemerkt als een in het geding verschenen partij. Dit geldt ook indien een partij verzuimt om bij de civiele kamer advocaat te stellen en als gevolg daarvan geen proceshandelingen meer kan verrichten. [4] Dit past binnen de in het burgerlijk procesrecht geldende regel ‘eens verschenen, blijft verschenen’.
Gevolg
4.5.
Voor deze procedure betekent dat naar het oordeel van de rechtbank het volgende.
[gedaagde] is verschenen bij de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam. Nu [gedaagde] enig bestuurder en enig aandeelhouder is van NWC, wordt [gedaagde] ook geacht te zijn verschenen namens NWC. [gedaagde] heeft destijds bij de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam ook niet anders betoogd.
4.6.
Nu gedaagden zijn verschenen bij de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam, worden zij ook aangemerkt als verschenen bij deze rechtbank, ondanks dat gedaagden geen advocaat hebben gesteld. Het gevolg hiervan is dat gedaagden geen verweer hebben gevoerd tegen de vorderingen van Stichting NVB.
De vorderingen van Stichting NVB
4.7.
Het gevorderde komt de rechtbank daarom – met uitzondering van enkele hierna genoemde (sub)onderdelen – niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt daarom grotendeels toegewezen, met inachtneming van het navolgende.
4.8.
De rechtbank zal het inbreukverbod toewijzen met betrekking tot de Handelsnamen van Stichting NVB. Om executieproblemen te voorkomen zal aan het onder I gevorderde inbreukverbod en de onder II gevorderde uitschrijving een termijn worden verbonden van twee dagen na betekening van het vonnis.
4.9.
De op te leggen dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd tot de in het dictum vermelde bedragen.
Proceskosten
4.10.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Stichting NVB heeft een volledige proceskostenveroordeling op de voet van artikel 1019h Rv gevorderd. De proceskosten worden in een verstekprocedure gelet op de eisen van een goede procesorde slechts overeenkomstig het bepaalde in artikel 1019h Rv begroot, indien zij bij dagvaarding reeds zijn opgegeven en gespecificeerd dan wel, indien zij pas na dagvaarding worden opgegeven en gespecificeerd, aan de niet-verschenen gedaagde(n) kenbaar zijn gemaakt. Hoewel de onderhavige procedure geen verstekzaak is, gaat de rechtbank hiervan ook in deze procedure uit, aangezien [gedaagde] na zijn verschijning bij de rechtbank Rotterdam geen kennelijke betrokkenheid bij de zaak meer heeft gehad.
4.11.
Stichting NVB heeft geen proceskostenoverzicht overgelegd. Het is dan ook niet gebleken dat de proceskosten aan [gedaagde] kenbaar zijn gemaakt. Dat betekent dat bij de begroting van de proceskosten aansluiting zal worden gezocht bij de liquidatietarieven civiel zoals die gelden voor uitspraken op of na 1 februari 2024, waarbij wordt uitgegaan van tarief II voor vorderingen van onbepaalde waarde. Dit betekent dat aan salaris advocaat een bedrag van € 614,- [5] wordt toegewezen. Dit bedrag wordt verhoogd met het griffierecht van € 714,- en eenmalig de dagvaardingskosten van € 148,57. Vergoeding van de dagvaardingskosten van € 148,57 voor betekening van de dagvaarding aan NWC wordt als nodeloos veroorzaakt of aangewend afgewezen, omdat betekening aan NWC niet nodig was nu tegen haar geen vorderingen zijn ingesteld.
4.12.
Onder de proceskosten vallen ook de nakosten. De nakosten worden begroot op het bedrag genoemd in het liquidatietarief civiel (per 1 februari 2024: € 178,-). In geval van betekening worden een extra bedrag aan salaris (per 1 februari 2024: € 92,-) en de explootkosten van betekening toegekend.
4.13.
De totale proceskosten aan de zijde van Stichting NVB worden daarom op dit moment begroot op € 1.654,57.
4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis iedere inbreuk op de Handelsnamen van Stichting NVB te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder door zich te onthouden de handelsnamen die identiek of verwarringwekkend overeenstemmend zijn aan Natuur-Wetenschappelijk Centrum, Natuur-Wetenschappelijk Centrum B.V., NWC, NWC-advies, NWCadvies, Twintighoeven, LOP-Dordrecht, Landschapsonderhoudproject (LOP) en Natuur Informatie Centrum (NIC) te gebruiken;
5.2.
beveelt [gedaagde] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis iedere handelsnaam die identiek of overeenstemmend is aan de Handelsnamen van Stichting NVB uit te (laten) schrijven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en deze uitgeschreven te houden;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan Stichting NVB een dwangsom van € 1.000,- te betalen voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat [gedaagde] in strijd handelt met de beslissing onder 5.1 en/of 5.2, waarbij iedere handelsnaam als een afzonderlijke inbreuk wordt gezien, met een maximum van € 50.000,-;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.654,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.B.J. Hoefnagel, rechter, bijgestaan door mr. R.W.J. Slits, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.

Voetnoten

1.Wet op de rechterlijke organisatie.
2.Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
3.Handelsnaamwet.
4.Kamerstukken II 1951/52, 2601, nr. 3, p. 3.
5.1 punt voor de dagvaarding.