Verzoekster heeft namens zichzelf en haar minderjarige kinderen een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag afgewezen, waarbij de aanvraag van verzoekster als kennelijk ongegrond werd bestempeld en die van de minderjarige kinderen als ongegrond.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld en tegelijkertijd is een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening behandeld op 5 december 2025, samen met de behandeling van het beroep.
Op 17 december 2025 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in de hoofdzaak (het beroep). Gezien deze uitspraak acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk en wijst het verzoek af.
De voorzieningenrechter bepaalt tevens dat verzoekers een vergoeding van proceskosten toekomt, omdat het verzoekschrift is ingediend en de minister wordt veroordeeld tot betaling van €907 aan verzoekers.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A.A.M. Elzakkers en griffier B.J. van Rossum. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.