ECLI:NL:RBDHA:2025:25442

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
NL25.26250
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:41 AwbArt. 2:1 AwbArt. 30c VwArt. 5 Terugkeerrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag buiten behandeling gesteld wegens vertrek zonder toestemming en terugkeerbesluit bevestigd

Eiser, van Senegalese nationaliteit, diende een asielaanvraag in die aanvankelijk werd afgewezen, maar door de rechtbank Haarlem werd vernietigd en terugverwezen. Verweerder stelde de asielaanvraag buiten behandeling op grond van vertrek zonder toestemming (MOB) en legde een terugkeerbesluit met inreisverbod op.

Eiser voerde aan dat het besluit niet correct was bekendgemaakt en dat zijn gemachtigde niet juist was aangemerkt. De rechtbank oordeelde dat de bekendmaking rechtsgeldig was omdat verweerder terecht de gemachtigde had aangemerkt en het besluit naar het juiste adres was verzonden.

Verder stelde eiser dat de asielaanvraag alsnog inhoudelijk beoordeeld moest worden omdat hij weer contact had met zijn gemachtigde. De rechtbank oordeelde dat de buitenbehandelingstelling terecht was op grond van het ontbreken van contact met bevoegde autoriteiten na vertrek zonder toestemming.

Ten slotte voerde eiser aan dat het terugkeerbesluit niet voldeed aan de non-refoulementverplichting. De rechtbank oordeelde dat verweerder wel degelijk een toetsing had verricht en dat het besluit deugdelijk was gemotiveerd. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het buiten behandeling stellen van de asielaanvraag en het terugkeerbesluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26250

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd buiten behandeling gesteld en aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met kennisgeving vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1.1.
Eiser stelt van Senegalese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002. Eiser heeft op 18 november 2024 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Senegal problemen had met zijn familie vanwege een erfenis.
1.2.
Op 26 november 2024 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Met de uitspraak van 13 februari 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, het beroep gegrond verklaard, het besluit van
26 november 2024 vernietigd en verweerder de opdracht gegeven om met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit op de asielaanvraag van eiser te nemen.
Het bestreden besluit
2. Met het besluit van 5 juni 2025 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daartoe heeft verweerder overwogen dat uit informatie van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) is gebleken dat eiser op 13 maart 2025 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken en dat niet is gebleken van een geldige reden voor het zonder toestemming vertrekken. Op 15 mei 2025 was een voornemen tot buitenbehandelingstelling uitgebracht waarin eiser de gelegenheid is geboden om binnen twee weken alsnog contact op te nemen met de bevoegde autoriteiten. Eiser heeft echter niet op het voornemen gereageerd.
Beoordeling van het beroep
Bekendmaking van het besluit
3. Eiser voert aan dat het bestreden besluit niet op de juiste wijze (conform artikel 3:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) aan hem bekend is gemaakt. De gemachtigde van eiser viel toentertijd niet aan te merken als zijn gemachtigde, zodat het besluit gepubliceerd had moeten worden. Subsidiair stelt eiser dat het adres van zijn gemachtigde is gewijzigd, waardoor het bestreden besluit naar een onjuist adres is verstuurd. Het bestreden besluit is ook niet in het advocatenportaal geplaatst.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank licht dit als volgt toe.
3.2.
Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt bekendmaking van een besluit dat tot een of meer belanghebbenden is gericht, door toezending of uitreiking aan hen. Uit artikel 2:1 van Pro de Awb volgt dat de bekendmaking ook kan geschieden door het toesturen van het besluit naar enkel de gemachtigde. Uit het beleid van verweerder, neergelegd in paragraaf C1/2.13 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), volgt dat verweerder een beschikking tot buitenbehandelingstelling van een asielaanvraag toezendt aan de gemachtigde van de vreemdeling.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht mr. Jhingoer heeft aangemerkt als gemachtigde van eiser. Daarbij is van belang dat uit contact met de Raad voor Rechtsbijstand was gebleken dat mr. Jhingoer als gemachtigde aan eiser gekoppeld was. Mr. Jhingoer heeft – blijkens een telefoonnotitie van verweerder – verweerder op 18 april 2025 ook te woord gestaan en afspraken gemaakt in verband met de MOB-melding van eiser. Tijdens dit telefoongesprek heeft mr. Jhingoer op geen enkele manier aangegeven niet (langer) gemachtigd te zijn dan wel dat hij zich nog zou onttrekken als eisers gemachtigde. Uit het dossier blijkt ook niet dat hij dit nadien, in de periode tot aan het bestreden besluit, wel heeft gedaan. Gelet op het voorgaande heeft verweerder het bestreden besluit terecht aan mr. Jhingoer toegezonden. Volledigheidshalve stelt de rechtbank vast dat het aan eiser opgelegde inreisverbod, in overeenstemming met het bepaalde in paragraaf A4/2.4.2 van de Vc, daarnaast is gepubliceerd in de Staatscourant.
3.4.
De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat het bestreden besluit is verzonden naar het juiste adres. Eiser stelt dat zijn gemachtigde was verhuisd en dat de adreswijziging tijdig aan verweerder is doorgegeven. Eiser heeft de gestelde adreswijziging echter niet geconcretiseerd of onderbouwd terwijl verweerder ter zitting heeft aangegeven niet bekend te zijn met een adreswijziging. Nu gelet hierop niet aangenomen kan worden dat tijdig een adreswijziging is doorgegeven, komt de omstandigheid dat het bestreden besluit naar een oud adres van eisers gemachtigde is verzonden, voor rekening en risico van eiser.
3.5.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op juiste wijze bekend is gemaakt.
Ex nunc beoordeling
4. Eiser voert verder aan dat een asielaanvraag ex nunc beoordeeld dient te worden. Gelet op de omstandigheid dat eiser inmiddels niet langer aan te merken is als MOB vertrokken – hij heeft weer contact met zijn gemachtigde – dient de asielaanvraag van eiser daardoor alsnog inhoudelijk behandeld te worden.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank licht dit als volgt toe.
4.2.
Uit artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw volgt dat verweerder een asielaanvraag buiten behandeling kan stellen als de vreemdeling is verdwenen of zonder toestemming is vertrokken en toerekenbaar niet binnen een gestelde termijn van twee weken contact heeft opgenomen met de bevoegde autoriteiten. Volgens paragraaf C2/8 van de Vc betrekt verweerder bij het beoordelen van de toerekenbaarheid of de vreemdeling een geldige reden heeft voor het zonder toestemming vertrekken.
4.3.
De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat eiser op 13 maart 2025 zonder toestemming MOB was vertrokken. Gesteld noch gebleken is dat eiser een geldige reden had voor het zonder toestemming vertrekken. Eiser heeft zich na 13 maart 2025 niet meer bij de bevoegde autoriteiten gemeld. Ook ten aanzien van dit niet melden is niet gebleken dat eiser hiervoor een geldige reden had. Gelet hierop was verweerder bevoegd om de asielaanvraag van eiser buiten behandeling te stellen. Dat eiser nadien weer het contact met zijn gemachtigde (in deze zaak) hersteld heeft, maakt dat niet anders. Hetzelfde geldt voor wat betreft de stelling van eiser dat hij wel altijd contact is blijven onderhouden met de gemachtigde die hem bijstond in het kader van zijn vreemdelingendetentie. Voor de vraag of een asielaanvraag buiten behandeling kan worden gesteld, is immers niet bepalend of eiser contact onderhoudt met zijn gemachtigde, maar of hij in contact staat met de bevoegde autoriteiten.
Refoulementbeoordeling
5. Eiser voert tot slot aan dat er ten onrechte een terugkeerbesluit is genomen zonder dat er een actuele, inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden omtrent de risico’s die eiser bij terugkeer naar Senegal loopt. Verweerder had op grond van het arrest Ararat (ECLI:EU:C:2024:892) een dergelijke beoordeling wel moeten maken. Eiser wijst er daarbij op dat hij inhoudelijk is gehoord over zijn asielrelaas, dat het eerdere, afwijzende asielbesluit door de rechtbank is vernietigd, en dat verweerder tevens beschikt over algemene landeninformatie met betrekking tot Senegal. Eiser acht het besluit op dit punt onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.
5.1.
In het bestreden besluit is vastgesteld dat eiser niet langer rechtmatig in Nederland verblijft, dat hij Nederland onmiddellijk moet verlaten en dat hij dient terug te keren naar Senegal. Verweerder heeft aldus ten aanzien van eiser een terugkeerbesluit genomen. In het arrest van het Hof van Justitie van 17 oktober 2024 in de zaak Ararat, ECLI:EU:C:2024:892, is overwogen dat verweerder op grond van artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn verplicht is om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. Het beginsel van non-refoulement houdt in dat een vluchteling niet mag worden teruggestuurd naar een land waar zijn of haar leven of vrijheid ernstig wordt bedreigd. Anders dan verweerder ter zitting heeft gesteld, is de rechtbank van oordeel dat ook in een geval waarin een terugkeerbesluit wordt opgelegd jegens een vreemdeling van wie de asielaanvraag buiten behandeling is gesteld, verweerder (kenbaar) dient te toetsen aan het beginsel van non-refoulement. De Terugkeerrichtlijn is immers van toepassing op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen, ongeacht de redenen die aan die situatie van illegaal verblijf ten grondslag liggen, terwijl artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn een algemene regel is die in acht moet worden genomen bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn.
5.2.
In het bestreden besluit heeft verweerder een standpunt ingenomen over het risico op refoulement voor eiser bij terugkeer. Overwogen is dat hoewel uit de indiening van de asielaanvraag kan worden afgeleid dat eiser stelt bij terugkeer naar Senegal te vrezen voor vervolging of ernstige schade, de omstandigheid dat hij nadien zonder reden met onbekende bestemming is vertrokken, verweerder aanleiding geeft om aan te nemen dat het terugkeerbesluit kan worden genomen zonder schending van het beginsel van non-refoulement. De rechtbank is van oordeel dat deze motivering van verweerder deugdelijk is, gegeven de omstandigheid dat eiser ten tijde van verweerders refoulementbeoordeling in het bestreden besluit MOB stond geregistreerd en zich niet meer bij de bevoegde autoriteiten had gemeld.
5.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat in hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd geen concrete aanwijzingen zijn gelegen voor het oordeel dat verweerder door uitvoering te geven aan het terugkeerbesluit het beginsel van non-refoulement schendt. De enkele verwijzing door eiser naar zijn gehoor, de uitspraak van de rechtbank over het eerdere afwijzingsbesluit en niet nader geduide landeninformatie over Senegal, acht de rechtbank daarvoor te algemeen van aard.
5.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Verweerder heeft de asielaanvraag terecht buiten behandeling gesteld en terecht aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.M.M. Plukaard, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.