ECLI:NL:RBDHA:2025:25481

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
NL25.60510
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring van een vreemdeling en de toekenning van schadevergoeding

Op 30 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak betreffende de maatregel van bewaring van een vreemdeling, eiser, die door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. De minister had op 6 december 2025 de maatregel van bewaring aan eiser opgelegd, maar deze was op 18 december 2025 opgeheven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze maatregel, waarbij hij tevens schadevergoeding heeft verzocht. De rechtbank heeft op 23 december 2025 de zaak behandeld, maar eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen.

De rechtbank heeft zich in haar beoordeling beperkt tot de vraag of eiser recht heeft op schadevergoeding, nu de bewaring was opgeheven. Eiser voerde aan dat hij onrechtmatig was opgehouden, omdat de maximale ophoudtijd van zes uur was overschreden. De rechtbank oordeelde echter dat er geen sprake was van vreemdelingenrechtelijke ophouding, aangezien de bewaring aansluitend op zijn strafrechtelijke detentie was opgelegd. De rechtbank concludeerde dat de minister terecht had gesteld dat de bewaring niet onrechtmatig was geweest.

Eiser betoogde verder dat de grondslag voor de maatregel van bewaring ontbrak, omdat hij zijn verblijf in Nederland effectief had beëindigd door vier maanden in Roemenië te verblijven. De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij zijn verblijf daadwerkelijk had beëindigd en dat de minister terecht had geconcludeerd dat de maatregel van bewaring gerechtvaardigd was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af, met de conclusie dat de inbewaringstelling rechtmatig was geweest.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60510

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. K.J. Diender).

Procesverloop

1. De minister heeft op 6 december 2025 de maatregel van bewaring aan eiser opgelegd. [1]
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. [2]
1.2
De minister heeft de maatregel van bewaring per 18 december 2025 opgeheven.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van afmelding, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. De rechtbank kan een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen als de bewaring is opgeheven vóórdat de zitting heeft plaatsgevonden. [3] In dat verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
Van strafrechtelijke detentie naar vreemdelingenbewaring
3. Eiser voert aan dat hij onrechtmatig is opgehouden. Eiser wijst erop dat een ophouding maximaal zes uur mag duren, en dat deze termijn in zijn geval is overschreden. Hierdoor is hij in zijn belangen geschaad en is de bewaring volgens eiser onrechtmatig.
3.1.
Uit de maatregel van bewaring blijkt dat deze is opgelegd op 6 december 2025, om 17:28 uur. Eiser is tijdens zijn strafrechtelijke detentie – die liep tot en met 6 december 2025, 17:28 uur [4] – voorafgaand aan de maatregel van bewaring gehoord op 6 december 2025, om 08:16 uur. De minister heeft tijdens eisers strafrechtelijke detentie al het vereiste onderzoek naar de vraag of de maatregel van bewaring zou moeten worden opgelegd verricht. [5] De minister heeft op de zitting met juistheid gesteld dat van vreemdelingrechtelijke ophouding dan ook geen sprake is geweest, zodat eisers betoog over de maximale duur daarvan in dit geval niet relevant is. Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op. Dat een dergelijke ophouding wel is aangekondigd op 5 december 2025 (in het M122-formulier) maakt het voorgaande niet anders. Kennelijk was het in dit geval mogelijk de laatste uren van de strafrechtelijke detentie te benutten voor de aan de vreemdelingenbewaring voorafgaande noodzakelijke voorbereidingshandelingen, waardoor de ophouding niet meer nodig was. Zoals door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in haar uitspraak van 19 februari 2010 [6] geoordeeld, is er geen rechtsregel die verbiedt dat een vreemdeling nog tijdens zijn strafrechtelijke detentie een besluit tot inbewaringstelling wordt uitgereikt onder mededeling dat die maatregel direct aansluitend aan zijn invrijheidstelling uit strafdetentie ten uitvoer zal worden gelegd met concrete vermelding van de datum en het tijdstip van de tenuitvoerlegging. Dat er in de (korte) periode tussen het nemen van de maatregel en de tenuitvoerlegging daarvan feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die aan de tenuitvoerlegging van de maatregel in de weg zouden staan, is gesteld noch gebleken. Gezien voorgaande is de rechtbank niet gebleken van een gebrek in de voorbereiding van de bewaringsmaatregel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ontbreekt de grondslag voor de maatregel van bewaring?
4. Eiser voert aan dat de grondslag voor de maatregel van bewaring ontbreekt, waardoor de bewaring onrechtmatig is. Hiertoe betoogt eiser dat hij zijn eerdere verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd, omdat hij vier maanden in Roemenië heeft verbleven. In zoverre heeft een eerder terugkeerbesluit geen werking (meer). Bovendien is geen nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Daarnaast betoogt eiser hij erop mocht vertrouwen dat hij opnieuw rechtmatig verblijf had, omdat hij bij binnenkomst in Nederland is gecontroleerd op zijn documenten en aan hem toen niet is medegedeeld dat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland had.
4.1.
Uit rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland verkrijgt wanneer hij zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. [7] De duur die de Unieburger buiten het grondgebied van het gastland verbleef, is voor de vaststelling van de daadwerkelijke en effectieve beëindiging van belang, maar niet beslissend. Hoe langer de afwezigheid van de Unieburger van het grondgebied van het gastland, hoe meer daaruit blijkt dat het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Daarnaast zijn elementen waaruit blijkt dat de Unieburger zijn banden met het gastland heeft verbroken van belang. Onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof van Justitie ligt het op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. In dat verband heeft de minister terecht gewezen op het feit dat eiser op 16 juli 2025 naar zijn land van herkomst Roemenië is uitgezet en dat uit de eigen verklaring van eiser volgt dat hij in Roemenië bij een vriend heeft gewoond, maar geen eigen woning had, en dat hij wat zwart heeft gewerkt, maar geen arbeidscontract had. Daarnaast heeft de minister op zitting terecht naar voren gebracht dat eiser na terugkomst in Nederland niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf. Immers, eiser heeft verklaard dat een vriend voor hem werk ging zoeken, maar hij heeft niet aangetoond dat hij naar werk heeft gezocht. Dat bij binnenkomst aan eiser niet is medegedeeld dat hij geen rechtmatig verblijf had in Nederland, maakt het voorgaande niet anders, omdat niet is uitgesloten dat de grensbewakers eiser hebben aangezien voor een Unieburger met rechtmatig verblijf. Dat de personen, die - naar eiser stelt - zijn papieren hebben gecontroleerd, de juiste voorstelling van zaken hadden waar het gaat om zijn verblijfsrecht heeft eiser namelijk niet gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister eveneens daarom terecht dat eiser alleen om die reden niet erop mocht vertrouwen dat hij opnieuw rechtmatig verblijf had in Nederland. Met wat eiser heeft aangevoerd, heeft hij niet gemotiveerd betwist dat hij zijn verblijf daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
5. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), [8] als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5.1.
Eiser betwist de zware gronden 3b en 3c. Over de zware grond 3b voert eiser aan dat hij – als Unieburger – ervan uitging dat hij rechtmatig verblijf in Nederland had. Hij is een aantal keren door de politie gecontroleerd en geen enkele keer is aan hem medegedeeld dat hij niet in Nederland mocht blijven en dat hij zich moest melden. Eiser voert verder aan dat de zware grond 3c feitelijk niet juist is, omdat hij Nederland op 16 juli 2025 heeft verlaten en de toelichting in de maatregel van bewaring enkel ziet op de vraag of hij een bestendig verblijf heeft opgebouwd in Roemenië.
5.2.
De minister heeft de zware gronden 3c en 3i [9] op zitting laten vallen. Deze liggen dus niet langer aan de maatregel van bewaring ten grondslag.
5.3.
De minister stelt over de zware grond 3b terecht dat deze feitelijk juist is, omdat eiser drie weken in Nederland is en hij zijn verblijf niet heeft gemeld, wat wel had gemoeten. Dat eiser ervan uitging dat hij rechtmatig verblijf in Nederland had, volgt de rechtbank niet. De minister stelt zich immers terecht op het standpunt dat bij besluit van 18 maart 2025, welke is uitgereikt aan eiser op 23 maart 2025, zijn verblijfsrecht is ingetrokken. Eiser heeft – zoals hiervoor reeds is overwogen – na vertrek naar Roemenië zijn verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief beëindigd, zodat dit besluit nog geldig is. Eiser heeft verder de lichte gronden 4c en 4d die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, en de motivering van het onttrekkingsrisico in dat kader, niet bestreden. De zware grond 3b en de lichte gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen. [10] Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
6. Eiser voert aan dat de minister aanleiding had moeten zien om een lichter middel toe te passen, om hem de gelegenheid te geven Nederland zelfstandig te verlaten. Eiser heeft aangegeven dat hij niet terug wil naar Roemenië, maar dat hij wel zal meewerken als hij niet in Nederland mag blijven en dat hij geld heeft op zijn betaalrekening. Eiser ging ervan uit dat hij opnieuw rechtmatig verblijf had in Nederland, omdat hij een lange periode in Roemenië heeft verbleven.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat uit de gronden van de maatregel van bewaring een risico op onttrekking aan het toezicht volgt. De rechtbank ziet ambtshalve geen reden om daaraan te twijfelen, zodat zij van dat risico uitgaat. Verder wijst de minister er terecht op dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat hij niet wil terugkeren naar Roemenië. De minister heeft daaruit mogen opmaken dat hij niet wil meewerken aan zijn terugkeer. Dat eiser ervan uitging dat hij opnieuw rechtmatig verblijf in Nederland had, is in dit kader niet relevant. De beoordeling die immers voorligt is of de minister een lichter middel dan detentie had moeten toepassen. Over de stelling van eiser dat hij geld heeft op zijn betaalrekening, stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser dit verder niet heeft aangetoond. De minister heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel toe te passen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [11]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de inbewaringstelling van eiser rechtmatig is geweest en de minister geen schadevergoeding aan eiser hoeft te betalen. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten aan eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Rashid, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Deze maatregel van bewaring was gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Dat staat in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000.
3.Dat staat in artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
4.Zie het M110-formulier, onder “mededeling”, p. 2.
5.Vergelijk ABRvS 13 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1940.
7.Hof van Justitie van 22 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:506, C-719/19 (FS tegen Nederland).
8.In het bijzonder artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vb 2000.
9.Deze was wel genoemd in de maatregel van bewaring maar verder niet toegelicht.
10.Vergelijk artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000.
11.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en HvJEU 4 september