Op 30 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak betreffende de maatregel van bewaring van een vreemdeling, eiser, die door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. De minister had op 6 december 2025 de maatregel van bewaring aan eiser opgelegd, maar deze was op 18 december 2025 opgeheven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze maatregel, waarbij hij tevens schadevergoeding heeft verzocht. De rechtbank heeft op 23 december 2025 de zaak behandeld, maar eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen.
De rechtbank heeft zich in haar beoordeling beperkt tot de vraag of eiser recht heeft op schadevergoeding, nu de bewaring was opgeheven. Eiser voerde aan dat hij onrechtmatig was opgehouden, omdat de maximale ophoudtijd van zes uur was overschreden. De rechtbank oordeelde echter dat er geen sprake was van vreemdelingenrechtelijke ophouding, aangezien de bewaring aansluitend op zijn strafrechtelijke detentie was opgelegd. De rechtbank concludeerde dat de minister terecht had gesteld dat de bewaring niet onrechtmatig was geweest.
Eiser betoogde verder dat de grondslag voor de maatregel van bewaring ontbrak, omdat hij zijn verblijf in Nederland effectief had beëindigd door vier maanden in Roemenië te verblijven. De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij zijn verblijf daadwerkelijk had beëindigd en dat de minister terecht had geconcludeerd dat de maatregel van bewaring gerechtvaardigd was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af, met de conclusie dat de inbewaringstelling rechtmatig was geweest.