ECLI:NL:RBDHA:2025:25501

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
NL25.62780
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervolgberoep bewaring opgeheven vanwege nieuwe maatregel en onrechtmatige voortduren

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 30 december 2025 uitspraak gedaan in een vervolgberoep tegen de maatregel van bewaring van eiser, die de Algerijnse nationaliteit heeft. De maatregel van bewaring was op 28 november 2025 opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel op 22 december 2025 is opgeheven, maar dat deze onrechtmatig was vanaf 18 december 2025, omdat de minister niet tijdig had gehandeld. De rechtbank heeft geoordeeld dat de maatregel van bewaring niet langer kon voortduren na de afwijzing van de asielaanvraag op 11 december 2025. Eiser had recht op schadevergoeding voor de onrechtmatige vrijheidsontneming, wat resulteerde in een schadevergoeding van € 200 voor twee dagen onrechtmatige detentie. Daarnaast zijn de proceskosten van eiser vastgesteld op € 907. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, maar de maatregel van bewaring is niet opgeheven omdat deze al was opgeheven door de minister. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62780

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2025 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 22 december 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft op 29 december 2025 verweerder verzocht om te reageren op de gronden van beroep. Verweerder heeft diezelfde dag gereageerd. Eiser heeft desgevraagd verklaard het beroep te handhaven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 29 december 2025 gesloten. [2]

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1986 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 december 2025. [3] Uit de voormelde uitspraak volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 10 december 2025, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 10 december 2025.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Daartoe wijst hij erop dat verweerder de maatregel van bewaring niet tijdig heeft omgezet, terwijl zijn asielaanvraag op 11 december 2025 kennelijk ongegrond is verklaard en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft aangewend. De maatregel kon op grond van artikel 59b van de Vw na 18 december 2025 niet langer voortduren en verweerder had de maatregel uiterlijk binnen 48 uur moeten omzetten. Omdat de omzetting pas op 22 december 2025 heeft plaatsgevonden, is de maatregel van bewaring vanaf 18 december 2025 onrechtmatig.
5. Bij reactie van 29 december 2025 erkent verweerder dat de maatregel van bewaring niet tijdig, namelijk binnen 48 uur, is omgezet en verklaart bereid te zijn om voor één dag schadevergoeding aan eiser te betalen. Ook is verweerder bereid om de proceskosten tot een bedrag van een punt (€ 907,-) te vergoeden.
6. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de maatregel van 28 november 2025 te laat is omgezet en dus onrechtmatig is geworden. Wel is in geschil vanaf welke datum de maatregel van bewaring onrechtmatig is geworden.
7. Uit het dossier volgt dat eisers asielaanvraag met het besluit van 11 december 2025 als kennelijk ongegrond is afgewezen. Gedurende de beroepstermijn van een week had eiser nog rechtmatig verblijf als asielzoeker in Nederland. Om die reden had de minister vanaf 18 december 2025, 48 uur de tijd om de maatregel van bewaring om te zetten, dus uiterlijk tot 20 december 2025. Nu de maatregel van bewaring op 22 december 2025 is omgezet, heeft deze twee dagen te lang onrechtmatig voortgeduurd wegens een onjuiste wettelijke grondslag.
8. Het beroep is gegrond. Dit leidt echter niet tot het opheffen van de maatregel van bewaring of het in vrijheid stellen van eiser, omdat deze maatregel van bewaring al is opgeheven. De rechtbank kent wel een schadevergoeding toe voor twee dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel. Dit komt neer op € 200 voor twee dagen verblijf in het detentiecentrum. Voor het overige ziet de rechtbank ambtshalve geen reden om de bewaring op enig moment vóór 20 december 2025 onrechtmatig te achten.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 200 (tweehonderd euro) te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907 (negenhonderdenzeven euro).
Deze uitspraak is gedaan op 30 december 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier en openbaar gemaakt door middel van publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw.