ECLI:NL:RBDHA:2025:25512

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
NL25.61460
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenrechtelijke procedure

Op 30 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak tussen een eiser en de minister van Asiel en Migratie. De eiser, die in Nederland verblijft, heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van 12 december 2025, waarbij hem de maatregel van bewaring is opgelegd op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 23 december 2025, waarbij de eiser via een beeldverbinding aanwezig was, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft overwogen dat de gronden voor de maatregel van bewaring voldoende zijn. De minister had zware gronden aangevoerd, waaronder dat de eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en dat hij eerder een besluit heeft ontvangen om Nederland te verlaten, waar hij geen gevolg aan heeft gegeven. De rechtbank oordeelt dat de zware gronden feitelijk juist zijn en dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat er een risico bestaat dat de eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.

Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister niet had hoeven volstaan met een lichter middel, omdat de omstandigheden van de zaak en het gedrag van de eiser een inbewaringstelling rechtvaardigen. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt en er kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61460

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. P.Th. van Alkemade),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Procesverloop

1. Bij besluit van 12 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is via een beeldverbinding verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft de lichte grond 4d op de zitting laten vallen.
2.1.
Eiser betwist de zware gronden 3c en 3i en de lichte gronden 4a en 4c. Daarnaast betoogt eiser dat, hoewel de zware grond 3a feitelijk juist is, deze niet aan hem kan worden tegengeworpen. Hij is namelijk als asielzoeker Nederland binnen gekomen en heeft verklaard dat zijn paspoort onder dwang is afgenomen door de reisagent.
2.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware gronden 3a en 3c feitelijk juist. Eiser heeft de feitelijke juistheid van de zware grond 3a ook niet betwist. Daarbij is niet relevant dat eisers identiteit en nationaliteit in de asielprocedure geloofwaardig zijn geacht, zoals eiser stelt. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat deze grond niet kan worden tegengeworpen. De feitelijke juistheid is namelijk voldoende om deze grond te kunnen tegenwerpen. [1] Ook de zware grond 3c is feitelijk juist en kan daarom worden tegengeworpen. Niet in geschil is dat eiser op 20 december 2023 een besluit heeft ontvangen waarin staat dat hij Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland binnen vier weken moet verlaten en dat het hiertegen ingediende beroep op 11 november 2025 ongegrond is verklaard. [2] Tegen deze uitspraak heeft eiser hoger beroep ingediend. Hoewel eiser de uitspraak op het beroep in Nederland mocht afwachten, had eiser vanaf 11 november 2025 de plicht om Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland te verlaten. Immers, anders dan eiser betoogt, schort de hoger beroepstermijn, evenals het indienen van hoger beroep, deze plicht niet op. Eiser heeft vanaf 11 november 2025 geen gevolg gegeven aan zijn vertrekplicht, zoals volgt uit onder meer het vertrekgesprek van 19 november 2025. Anders dan eiser stelt, had hij toen dus al wel een vertrekplicht. Eiser heeft nog zijn vraagtekens geplaatst bij de opmerking in het verslag van dit vertrekgesprek, namelijk dat hij tijdens een gesprek met de COa casemanager op 12 november 2025 heeft gezegd dat hij niet zal meewerken aan zijn vertrek, maar de rechtbank ziet in wat eiser daarover naar voren brengt geen grond voor het oordeel dat dit niet is gebeurd zoals in het verslag is vermeld. Eiser heeft immers ook later vergelijkbare uitlatingen gedaan. Hiermee is de zware grond 3c feitelijk juist. De zware gronden 3a en 3c zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Dat wat eiser heeft aangevoerd in het kader van de overige gronden behoeft daarom geen bespreking.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
3. Eiser betoogt dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. Aan hem wordt namelijk ten onrechte tegengeworpen dat hij niet zelfstandig contact heeft opgenomen met de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) en geen actie heeft ondernomen om zelfstandig te vertrekken. Eiser was namelijk tot 9 december 2025 (einde hoger beroepstermijn) niet verplicht mee te werken en hij is op al 12 december 2025 in bewaring gesteld, waardoor hij slechts drie dagen de tijd had om het een en ander te regelen. Daarnaast is van belang dat eiser al vijf jaar in Nederland verblijft en steeds op een voor de minister bekende verblijfplaats heeft verbleven. Bovendien heeft eiser werk en is ook daar voor de minister te bereiken. Eiser heeft zich dus nooit onttrokken aan het toezicht.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet
op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn
gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar
minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden
toegepast. Uit de gronden blijkt namelijk het risico op onttrekking. Verder heeft de minister hierbij terecht meegewogen dat eiser geen medewerking heeft verleend doordat hij niet is verschenen bij het vertrekgesprek van 19 november 2025. Eiser was hiertoe, anders dan hij zelf betoogt, wel verplicht sinds 11 november 2025. De rechtbank wijst in dit verband naar wat hiervoor al is overwogen. Vanaf dat moment had eiser namelijk de plicht om Nederland te verlaten. Dat eiser de uitnodiging voor dit vertrekgesprek mogelijk niet heeft ontvangen, volgt de rechtbank niet. Uit het verslag van dit gesprek volgt namelijk dat deze uitnodiging in persoon aan eiser is uitgereikt. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 19 november 2025 volgt dat eiser op 12 november 2025 tijdens een gesprek met zijn casemanager van het COa heeft verklaard niet terug te zullen keren naar Bangladesh en niet mee te zullen werken aan zijn vertrek, aan welke weergave naar het oordeel van de rechtbank – zoals hiervoor reeds overwogen – niet wordt getwijfeld. De minister heeft verder terecht meegewogen dat eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling ook heeft verklaard niet naar Bangladesh te willen terugkeren, waaruit de minister een niet meewerkende houding mocht afleiden. Dat eiser een maand na de ongegronde uitspraak in zijn beroepsprocedure in bewaring is gesteld, wat volgens eiser “erg snel” is, doet verder niet af aan de rechtmatigheid van de inbewaringstelling en maakt niet dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. De omstandigheid dat eiser een adres heeft waar hij verblijft en is ingeschreven in de Basisregistratie Personen en dat hij (vast) werk heeft, doen aan voorgaande niet af.
Leidt ambtshalve toets tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de
minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de
rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [3]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
2.Rb. Den Haag, zp. ’s-Hertogenbosch, 11 november 2025, zaaknummer: NL24.1695 (
3.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en HvJEU 4 september