ECLI:NL:RBDHA:2025:25518
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep verblijfsvergunning
Verzoekster had beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar bezwaar tegen de afwijzing van haar verblijfsvergunningaanvraag. Op 18 september 2025 nam de minister alsnog een besluit op de aanvraag, waarna verzoekster haar beroep introk en een proceskostenvergoeding vorderde.
De rechtbank vond een zitting niet noodzakelijk en overwoog dat intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming door het bestuursorgaan recht geeft op proceskostenvergoeding. Gezien het eenvoudige karakter van de zaak en het beperkte belang hanteerde de rechtbank een wegingsfactor van 0,5 op het standaardbedrag voor professionele juridische hulp.
De minister werd veroordeeld tot betaling van € 453,50 aan proceskosten. Er waren geen overige kosten die vergoed konden worden. De uitspraak werd gedaan door rechter Schaaf in aanwezigheid van griffier Simorangkir.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan verzoekster.