ECLI:NL:RBDHA:2025:25525

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
NL25.61428
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van vreemdeling en de toepassing van het beginsel van equality of arms in bestuursrechtelijke procedures

Op 30 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak betreffende de bewaring van een vreemdeling, eiser, die in beroep ging tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie. De minister had op 11 december 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op basis van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat zijn recht op 'equality of arms' was geschonden, omdat hij niet over alle relevante stukken beschikte die betrekking hadden op eerdere inbewaringstellingen. De rechtbank oordeelde dat de minister niet verplicht was om deze stukken te overleggen, aangezien ze niet relevant waren voor de huidige maatregel. Eiser voerde ook aan dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom niet met een lichter middel was volstaan, maar de rechtbank oordeelde dat de minister voldoende had aangetoond dat de inbewaringstelling gerechtvaardigd was. Eiser betoogde verder dat er geen zicht op uitzetting was, maar de rechtbank concludeerde dat de minister voldoende voortvarend handelde in het aanvragen van een laissez-passer bij de Marokkaanse autoriteiten. Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61428

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. K.P.E. van Tulden),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. K.J. Diender).

Procesverloop

1. Bij besluit van 11 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is met behulp van een beeldverbinding verschenen, bijgestaan door mr. H.G.A.M. Halfers, als waarnemer van zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Is het beginsel van ‘eguality of arms’ geschonden?
2. Eiser betoogt dat het beginsel van ‘equality of arms’ is geschonden, omdat hij niet over alle op de zaak betrekking hebbende stukken beschikt. Eiser voert aan dat hij in het verleden meerdere keren in bewaring heeft gezeten, maar het dossier bevat geen stukken over deze eerdere inbewaringstellingen, als ook niet over de redenen voor het opheffen van die maatregelen. Eiser verwijst in dit verband naar het arrest Lamy. [1]
2.1.
Gelet op het bepaalde in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de minister verplicht om op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de stukken met betrekking tot zijn eerdere inbewaringstellingen relevant zijn voor de beoordeling van dit beroep. Deze stukken gaan immers over het verleden en zijn naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk voor de beoordeling van de maatregel die op 11 december 2025 is opgelegd. Eiser heeft ook niet geconcretiseerd waarom deze stukken nodig zouden zijn om de huidige maatregel te kunnen toetsen. Bovendien ziet het arrest waar eiser naar verwijst op een strafrechtelijke detentie, en niet op vreemdelingenbewaring. Eiser kan dan ook niet worden gevolgd in zijn conclusie dat alleen al hierom de bewaringsmaatregel onrechtmatig is en moet worden opgeheven. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom niet is volstaan met een lichter middel?
3. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat de inbewaringstelling een te zwaar middel is en om die reden onevenredig. Eiser betoogt dat in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling onvoldoende is (door)gevraagd naar zijn gezondheid en medische behandeling. De minister heeft in de maatregel enkel een standaard tekstblok gebruikt. Volgens eiser is dit een gebrek in de voorbereiding van de maatregel wat niet meer kan worden hersteld. Dit is volgens eiser in strijd met het arrest Mahdi. [2]
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in de maatregel voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. De minister verwijst daarbij in eerste instantie terecht naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Deze gronden zijn door eiser niet betwist. Daarnaast stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet heeft aangetoond dat er omstandigheden zijn die ervoor zouden moeten zorgen dat de minister een lichter middel had moeten opleggen of dat eiser wegens medische omstandigheden detentieongeschikt zou zijn. De minister heeft daarnaast op de zitting toegelicht dat eiser in het vertrekgesprek van 17 december 2025 heeft aangegeven dat het goed met hem gaat. Dit wordt door eiser ook niet betwist. Voor zover eiser medische zorg nodig heeft, wijst de minister terecht op het feit dat in het detentiecentrum medische zorg aanwezig is, die gelijkwaardig is aan de zorg in de vrije maatschappij. [3] De minister heeft de (psychische) gezondheid van eiser hierbij voldoende betrokken. Dat de minister een standaard tekstblok heeft gebruikt en dat de motivering op dit punt daarom niet zou volstaan volgt de rechtbank dan ook niet. Dat is gehandeld in strijd met het arrest Mahdi wordt daarom ook niet gevolgd. De beroepsgrond slaagt niet.
Ontbreekt het zicht op uitzetting en werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?
4. Eiser betoogt dat er geen zicht op uitzetting bestaat, omdat zijn eerdere inbewaringstellingen niet hebben geleid tot uitzetting. Eiser heeft namelijk eerder zijn vingerafdrukken bij de Marokkaanse autoriteiten afgegeven, maar dit heeft niet geleid tot de afgifte van een laissez-passer (lp). Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank. [4] Daar komt volgens eiser bij dat het onzorgvuldig is dat zijn vingerafdrukken pas op 23 december 2025 naar de Marokkaanse autoriteiten zijn verstuurd. Dit is volgens eiser niet voortvarend.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat in het algemeen zicht op uitzetting naar Marokko bestaat. [5] De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De minister stelt zich op de zitting terecht op het standpunt dat de houding van de Marokkaanse autoriteiten bij het al dan niet verstrekken van lp’s voor hun onderdanen inmiddels is veranderd ten opzichte vroeger. Dit wordt door eiser ook niet betwist. De rechtbank ziet niet in waarom de minister niet opnieuw mag proberen een lp voor eiser aan te vragen. De minister heeft op de zitting toegelicht dat de Marokkaanse autoriteiten na de eerder aan hen toegestuurde vingerafdrukken opnieuw om vingerafdrukken hebben gevraagd. Die zijn op 23 december 2025 verzonden naar de Marokkaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten de lp-aanvraag van eiser hebben afgewezen of dat zij de aanvraag niet langer in behandeling hebben. Aan de Marokkaanse autoriteiten mag enige tijd worden gegund om de afgifte van een lp in orde te maken en om te bepalen welke stappen daarvoor nodig zijn. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Eiser heeft niet betwist dat hij op 17 december 2025 een vertrekgesprek heeft gevoerd. Het feit dat de eerste verzending van de vingerafdrukken niet succesvol was, en dat op 23 december 2025 een nieuwe set is verzonden, maakt niet dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de
minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de
rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [6]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.EHRM 30 maart 1989, ECLI:CE:ECHR:1989:0330 (Lamy tegen België).
2.HvJEU 5 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:11320.
3.ABRvS 5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:16.
4.Rechtbank Den Haag, zp. Groningen, 21 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14682.
5.ABRvS 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.
6.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar).