ECLI:NL:RBDHA:2025:25528

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
NL25.40243
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Buitenbehandelingstelling van asielaanvraag van minderjarige Algerijnse vreemdeling

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 2 december 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de asielaanvraag van een minderjarige Algerijnse vreemdeling. De minister van Asiel en Migratie heeft op 20 augustus 2025 de aanvraag van de eiser buiten behandeling gesteld, omdat hij twee keer niet is verschenen bij het asielgehoor. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Tijdens de zitting op 6 november 2025 is eiser niet verschenen, maar zijn voormalig gemachtigde was aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om verweerder de gelegenheid te geven schriftelijk te reageren op een standpunt dat ter zitting door de voormalig gemachtigde is aangevoerd. Na de schriftelijke reacties van beide partijen heeft de rechtbank op 20 november 2025 besloten het onderzoek te sluiten zonder een nadere zitting.

De rechtbank overweegt dat eiser, geboren in 2010, op 19 juli 2025 asiel heeft aangevraagd. De minister heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser niet is verschenen bij het asielgehoor en niet heeft aangetoond dat dit niet aan hem toe te rekenen is. Eiser heeft aangevoerd dat hij niet op de hoogte was van de tweede gehoorafspraak en dat hij als minderjarige niet volledig bewust was van de noodzaak om te verschijnen. De rechtbank oordeelt echter dat eiser voldoende op de hoogte was van beide afspraken en dat zijn niet verschijnen toerekenbaar is. De rechtbank concludeert dat de minister in redelijkheid de asielaanvraag buiten behandeling heeft kunnen stellen.

Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat het terugkeerbesluit dat aan eiser is opgelegd, gerechtvaardigd is, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij behoefte heeft aan onderzoek naar adequate opvang in zijn land van herkomst. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.40243
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. A. de Graaf).

Procesverloop

1. Bij besluit van 20 augustus 2025 heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) buiten behandeling gesteld. Tevens heeft verweerder met dit besluit aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van 2 jaar opgelegd.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
Verweerder heeft op 23 september 2025 een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. Namens eiser is zijn voormalig gemachtigde mr. P.C.M. van Schijndel verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op een eerst ter zitting namens eiser aangevoerd standpunt. Verweerder heeft die schriftelijke reactie op dezelfde dag ingediend. Op 10 november 2025 heeft eiser daarop schriftelijk gereageerd.
1.5.
Op 20 november 2025 heeft de rechtbank, na hiervoor ter zitting al toestemming te hebben verkregen van partijen, bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding
2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2010 en de Algerijnse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 19 juli 2025 asiel aangevraagd in Nederland.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat eiser twee keer niet is verschenen bij het asielgehoor en niet heeft aangetoond dat dit niet aan hem toe te rekenen is. Tevens heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit, inhoudende dat eiser Nederland en de EU onmiddellijk moet verlaten, en een inreisverbod van de duur van twee jaar opgelegd.

Beroepsgronden

4. Eiser voert aan dat verweerder zijn asielaanvraag ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld. De voormalig gemachtigde heeft het voornemen eerst op 20 augustus 2025 met eiser kunnen bespreken. Direct na dit gesprek en voordat een zienswijze kon worden ingediend, is het besluit genomen. Eiser stelt dat hij alleen van de eerste afspraak op de hoogte was en dat hij die inderdaad heeft gemist. Wat hiervan ook moge zijn, eiser was zich als minderjarige niet ten volle bewust van het moeten volgen van de instructies. Verweerder had hier rekening mee moeten houden en in overleg een nieuw gehoor moeten plannen. Door dat niet te doen heeft verweerder niet aan zijn zorgplicht voor minderjarige asielzoekers voldaan. Ter zitting is namens eiser nog aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen onderzoek heeft verricht naar het bestaan van adequate opvang in het land van herkomst. Verweerder mocht daarom geen terugkeerbesluit nemen, zo is namens eiser gesteld.
Het oordeel van de rechtbank
Buitenbehandelingstelling asielaanvraag
5.1.
Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw kan een asielaanvraag buiten behandeling worden gesteld indien de vreemdeling niet is verschenen bij een gehoor en hij niet binnen een termijn van twee weken heeft aangetoond dat dit niet aan hem is toe te rekenen.
5.2.
Eiser is door middel van een loopbrief uitgenodigd om op 30 juli 2025 te verschijnen bij het asielgehoor. Eiser is op 30 juli 2025, zonder bericht, niet bij het gehoor verschenen. Uit een e-mail van de Medewerker Aanmeldbalie van de IND blijkt dat eiser in de ochtend van 30 juli 2025 weigerde in de taxi naar het gehoor te stappen. Uit het ‘rapport niet verschijnen voor gehoor’ van 1 augustus 2025 blijkt dat eiser een uitnodiging heeft gekregen om op 1 augustus 2025 (alsnog) te verschijnen voor het gehoor. Eiser is echter ook op 1 augustus 2025, zonder bericht, niet bij het gehoor verschenen. Uit een e-mail van de Medewerker Aanmeldproces van de IND blijkt dat eiser op 1 augustus 2025 wederom weigerde in de taxi naar het gehoor te stappen. Op 4 november 2025 heeft verweerder een voornemen tot buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag uitgebracht. Daarin staat dat eiser twee weken de gelegenheid krijgt om contact op te nemen met de autoriteiten en om een zienswijze in te dienen. Uit de brief van de Raad voor Rechtsbijstand van 13 augustus 2025 blijkt dat eisers zaak is gekoppeld aan een advocaat (eisers voormalig gemachtigde). Eiser heeft binnen de gestelde termijn van twee weken geen contact opgenomen met de
autoriteiten en ook geen zienswijze ingediend. Op 20 augustus 2025 heeft verweerder het bestreden besluit genomen.
5.3.
Voor zover eiser stelt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat hij geen mogelijkheid heeft gehad om met zijn (voormalig) gemachtigde een zienswijze in te dienen, volgt de rechtbank dit niet. Hoewel het beter zou zijn geweest als eisers zaak eerder aan een advocaat zou zijn gekoppeld, was er vanaf het moment dat zijn zaak wel was gekoppeld (op 13 augustus 2025) voldoende tijd en gelegenheid om, vóórdat het bestreden besluit werd genomen (op 20 november 2025), een zienswijze in te dienen dan wel een uitstelverzoek in te dienen. Dat van deze gelegenheid geen gebruik is gemaakt komt voor rekening en risico van eiser.
5.4.
Niet in geschil is dat eiser op de hoogte was de eerste gehoorafspraak op 30 juli 2025. Eiser betwist wel dat hij op de hoogte was van de tweede gehoorafspraak op
1 augustus 2025, maar dat volgt de rechtbank niet. De rechtbank ziet namelijk geen reden om te twijfelen aan de mededeling in het ‘rapport niet verschijnen voor gehoor’ van
1 augustus 2025 dat eiser een uitnodiging voor dat gehoor heeft gekregen. Bovendien blijkt uit de e-mail van de Medewerker Aanmeldproces dat eiser op 1 augustus 2025 heeft geweigerd in de taxi naar gehoor te stappen, hetgeen een bewuste handeling van eiser impliceert. Gelet hierop neemt de rechtbank aan dat eiser op de hoogte was van beide gehoorafspraken. Bij beide gehoorafspraken is eiser, zonder voorafgaande kennisgeving en opgaaf van redenen, niet verschenen. Ook in beroep heeft eiser geen concrete reden(en), laat staan verschoonbare, naar voren gebracht voor het niet verschijnen bij de gehoorafspraken op 30 juli 2025 en 1 augustus 2025. Het niet verschijnen bij de gehoorafspraken wordt daarom toerekenbaar geacht. Hieruit volgt dat verweerder op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw bevoegd was om de asielaanvraag van eiser buiten behandeling te stellen.
5.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken. Verweerder heeft eiser twee keer de mogelijkheid geboden om te worden gehoord over zijn asielrelaas, maar eiser heeft beide mogelijkheden zonder reden afgeslagen door niet in de voor hem geregelde taxi te willen stappen. Dat eiser zich als minderjarige niet ten volle bewust is van wat er van hem wordt verwacht, volgt de rechtbank niet. Uit zijn herhaalde weigering om in de taxi te stappen, in combinatie bezien met zijn (wan)gedrag in de opvang (zoals beschreven in het verweerschrift van
23 september 2025), volgt het beeld dat eiser niet meewerkt met de autoriteiten en zich niet aan de afspraken en regels wenst te houden. Eiser is weliswaar minderjarig, maar ook minderjarigen moeten zich aan de afspraken houden. Gelet hierop hoefde verweerder eiser, ook al is hij minderjarig, niet nog een derde keer uit te nodigen voor een asielgehoor.
5.6.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder de asielaanvraag van eiser buiten behandeling heeft kunnen stellen. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.
Terugkeerbesluit
6.1.
De rechtbank overweegt dat in een zaak van een amv-er in het asielgehoor niet alleen wordt onderzocht of er gronden voor asielverlening bestaan, maar ook of er adequate opvang in het land van herkomst is. Nu eiser twee keer toerekenbaar niet is verschenen bij het asielgehoor is het standpunt van verweerder dat wordt aangenomen dat eiser geen bescherming meer wenst en, in het verlengde daarvan, dat terugkeer naar het land van
herkomst niet in strijd is met het beginsel van non-refoulement gerechtvaardigd (zie ook artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Procedurerichtlijn). Op dezelfde voet is naar het oordeel van de rechtbank in beginsel ook gerechtvaardigd het standpunt van verweerder dat wordt aangenomen dat eiser geen behoefte heeft aan onderzoek naar adequate opvang en dat hij een vorm van opvang heeft (vgl. informatiebericht 2025/13, p. 4). Dit standpunt heeft verweerder ook uitdrukkelijk in het voornemen opgenomen, en eiser is hiertegen niet met een zienswijze (en overigens ook niet in zijn beroepschrift) opgekomen en heeft dus niet gesteld dat hij wél behoefte heeft aan dat onderzoek. Gelet hierop, bezien in het licht van de niet-meewerkende houding van eiser (zie 5.5.), hoefde verweerder dat onderzoek (in deze fase) niet voort te zetten of op andere wijze in te steken en kon verweerder op dit punt in het bestreden besluit volstaan met een verwijzing naar het voornemen. De eerst ter zitting namens eiser geponeerde stelling dat zijn moeder is overleden, leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat dit pas zeer laat naar voren is gebracht, is deze stelling namelijk niet onderbouwd en ook niet geconcretiseerd.
6.2.
In wat eiser in beroep heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gezien het voorgaande ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.