ECLI:NL:RBDHA:2025:25547

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
25/8869
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 46b Wet RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning voor zorgappartementen

Verzoekers hebben een voorlopige voorziening gevraagd tegen de verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een gebouw met zorgappartementen op een perceel in Hendrik-Ido-Ambacht. De vergunning werd aanvankelijk verleend op 21 juni 2023, herroepen en opnieuw verleend op 22 januari 2024, waarna verzoekers beroep instelden. De bodemprocedure vond plaats op 16 december 2025, met een uitspraak gepland uiterlijk 27 januari 2026.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het niet passend is om een voorlopig rechtmatigheidsoordeel te geven en beoordeelt het verzoek uitsluitend op basis van belangenafweging. De voortzetting van hei- en funderingswerkzaamheden in januari 2026 is spoedeisend, maar de bouwactiviteiten in deze periode zijn niet onomkeerbaar en zullen geen wezenlijke impact hebben op de leefomgeving van verzoekers.

Vergunninghoudster heeft een belang bij voortzetting van de werkzaamheden, mede vanwege de noodzaak van de woonzorgappartementen en de beschikbaarheid van een nieuwe aannemer. Het belang van vergunninghoudster weegt zwaarder dan dat van verzoekers bij schorsing van de vergunning. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning wordt afgewezen omdat het belang van vergunninghoudster zwaarder weegt dan dat van verzoekers.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/8869

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

30 december 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [verzoeker 3] , [verzoeker 4] en [verzoeker 5], uit [woonplaats] , verzoekers
(gemachtigde: R.E. van Kralingen),
en

het college van burgemeester en wethouders van Hendrik-Ido-Ambacht

Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[stichting]uit [woonplaats] (vergunninghoudster).
(gemachtigde: mr. L. de Jeu)

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een gebouw voor zorgappartementen op het perceel [adres] in [plaats] (het perceel).
1.1.
Op 17 maart 2023 heeft vergunninghoudster een aanvraag om de genoemde omgevingsvergunning ingediend.
1.2.
Met het besluit van 21 juni 2023 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
1.3.
Met het bestreden besluit van 22 januari 2024 op het bezwaar van onder andere verzoekers heeft het college het besluit van 21 juni 2023 herroepen en opnieuw een omgevingsvergunning verleend.
1.4.
Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.5.
Op 9 augustus 2024, verbeterd op 30 augustus 2024, heeft de rechtbank Rotterdam de zaken met toepassing van artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie ter verdere behandeling verwezen naar de rechtbank Den Haag.
1.6.
Op 4 december 2026 heeft het college een herstelbesluit genomen met betrekking tot de archeologie. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit wijzigingsbesluit.
1.7.
Op 13 december 2025 hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.8.
Voor zover in het verzoek om voorlopige voorziening een verzoek tot het nemen van een ordemaatregel moet worden gelezen, heeft de voorzieningenrechter dit verzoek op 17 december 2025 afgewezen.
1.9.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigde van verzoekers, namens het college
[naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] en
[naam 6] , en namens vergunninghoudster de gemachtigde en mr. R.D. van Oevelen, vergezeld door [naam 7] , [naam 8] en [naam 9] .
1.10.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van voldoende spoedeisend belang vanwege de voortzetting van hei- en funderingswerkzaamheden in januari 2026.
4. In deze procedure heeft de zitting in de bodemprocedure plaatsgevonden op
16 december 2025 en zal, uitgaande van een uitspraaktermijn van zes weken, uiterlijk op
27 januari 2026 uitspraak worden gedaan op het beroep van verzoekers. Gelet hierop ligt het niet in de rede om een voorlopig rechtmatigheidsoordeel te geven over de verleende omgevingsvergunning. De voorzieningenrechter zal daarom uitsluitend op grond van een belangenafweging beoordelen of het verzoek om voorlopige voorziening voor toewijzing in aanmerking komt.
5. De belangenafweging valt uit in het nadeel van verzoekers. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
5.1.
In de relatief korte tijd tot de uitspraak van de rechtbank in de bodemprocedure zullen de heiwerkzaamheden worden afgerond en zal een begin worden gemaakt met het bouwen van de fundering van het gebouw. Daarom is in het in ieder geval aannemelijk dat nog geen bouwlaag zal zijn gerealiseerd op het perceel. Wat in deze periode kan worden gebouwd is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet van wezenlijke betekenis voor de leefomgeving van verzoekers. In dat kader is relevant dat eerder een gebouw op het perceel heeft gestaan en dat volgens het bestemmingsplan een gebouw met een maximum bouwhoogte van 10 meter kan worden opgericht.
5.2.
Van wat de komende weken kan worden gebouwd is niet gebleken dat dit onomkeerbaar is. Vergunninghoudster heeft op zitting toegelicht dat de heipalen en de fundering op zichzelf kunnen worden verwijderd. Vergunninghoudster onderkent ook dat zij voor eigen rekening en risico bouwt zolang de omgevingsvergunning niet onherroepelijk is.
5.3.
Vergunninghoudster heeft belang bij gebruikmaking van de omgevingsvergunning, omdat zij 30 woonzorgappartementen op het perceel wil bouwen. Het is niet in geschil dat er behoefte is aan dit type woningen en dat de huidige huisvesting van de beoogde bewoners van de woonzorgappartementen op dit moment tekortschiet voor de zorg die nodig is. Over de start van de werkzaamheden heeft vergunninghoudster toegelicht dat een nieuwe aannemer in beeld is gekomen die op dit moment kan bouwen. Als de omgevingsvergunning zou worden geschorst, zou de beschikbaarheid van die aannemer in het gedrang kunnen komen. In dat geval zou de bouw aanzienlijk worden vertraagd.
5.4.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van vergunninghoudster om de werkzaamheden te kunnen voortzetten zwaarder weegt dan het belang van verzoekers bij schorsing van de omgevingsvergunning.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
7. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2025 door
mr. S.H. van den Ende, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. I. Geerink-van Loon, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.