ECLI:NL:RBDHA:2025:25595
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel op basis van Vreemdelingenwet
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 31 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel die aan eiser was opgelegd op basis van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, die een V-nummer heeft, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie, dat op 29 november 2025 was genomen. Dit beroep werd ook gezien als een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank heeft de zaak schriftelijk behandeld, waarbij de gemachtigde van eiser op 17 december 2025 de gronden van het beroep indiende en de verweerder hierop op 22 december 2025 reageerde. De rechtbank sloot het onderzoek op 24 december 2025.
De rechtbank overwoog dat indien de maatregel in strijd is met de Vreemdelingenwet of niet gerechtvaardigd is, het beroep gegrond verklaard moet worden. Eiser voerde aan dat zijn medische omstandigheden niet waren meegewogen en dat er geen lichter middel was opgelegd. Hij verwees naar eerdere uitspraken en gaf aan dat hij psychiatrisch patiënt is met depressieve klachten. De rechtbank oordeelde echter dat de verweerder alle relevante medische feiten had betrokken en dat er geen bewijs was dat de detentie onevenredig bezwarend was. Eiser had niet aangetoond dat de zorg in detentie niet toereikend was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Daarnaast verklaarde de rechtbank het beroep in een tweede zaak, dat voortkwam uit een kennisgeving van de verweerder, niet-ontvankelijk. De uitspraak werd gedaan door mr. J. Holleman, in aanwezigheid van griffier mr. J.R. Froma, en werd openbaar gemaakt. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.