ECLI:NL:RBDHA:2025:25595

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
NL25.61191
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel op basis van Vreemdelingenwet

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 31 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel die aan eiser was opgelegd op basis van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, die een V-nummer heeft, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie, dat op 29 november 2025 was genomen. Dit beroep werd ook gezien als een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank heeft de zaak schriftelijk behandeld, waarbij de gemachtigde van eiser op 17 december 2025 de gronden van het beroep indiende en de verweerder hierop op 22 december 2025 reageerde. De rechtbank sloot het onderzoek op 24 december 2025.

De rechtbank overwoog dat indien de maatregel in strijd is met de Vreemdelingenwet of niet gerechtvaardigd is, het beroep gegrond verklaard moet worden. Eiser voerde aan dat zijn medische omstandigheden niet waren meegewogen en dat er geen lichter middel was opgelegd. Hij verwees naar eerdere uitspraken en gaf aan dat hij psychiatrisch patiënt is met depressieve klachten. De rechtbank oordeelde echter dat de verweerder alle relevante medische feiten had betrokken en dat er geen bewijs was dat de detentie onevenredig bezwarend was. Eiser had niet aangetoond dat de zorg in detentie niet toereikend was.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Daarnaast verklaarde de rechtbank het beroep in een tweede zaak, dat voortkwam uit een kennisgeving van de verweerder, niet-ontvankelijk. De uitspraak werd gedaan door mr. J. Holleman, in aanwezigheid van griffier mr. J.R. Froma, en werd openbaar gemaakt. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.61191 (beroep) en NL25.62997 (kennisgeving)

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. L. Sinoo),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).

Procesverloop

1. Bij besluit van 29 november 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Verweerder heeft op 23 december 2025 voor eiser een kennisgeving aan de rechtbank verzonden. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer NL25.62997.
1.3.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 17 december 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 22 december 2025 op gereageerd. Op 24 december 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
3. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert, kort samengevat, het volgende aan. Verweerder heeft ten tijde van oplegging van de maatregel de medische omstandigheden van eiser niet meegewogen en ten onrechte geen lichter middel opgelegd. Daarbij is de inschatting van de verbalisant dat eiser ‘niet geheel gezond’ zou zijn geen correcte weergave van eisers verklaring. Daarnaast heeft eiser ook aangegeven dat hij niet beschikt over zijn medicatie. Er is geen grondig onderzoek geweest naar de feitelijke elementen en verweerder heeft nagelaten een specifieke motivering ten aanzien van eisers medische omstandigheden op te nemen. Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 12 maart 2024 met zaaknummer NL24.8695. Verder is eiser psychiatrisch patiënt en heeft hij last van depressie, suïcidaliteit en achtervolgingswanen. De grensdetentie is daarom onevenredig bezwarend. Eiser verwijst daarbij naar twee adviezen van Medtadvies van 4 en 11 december 2025.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. Uit de maatregel blijkt dat verweerder als medisch relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken dat eiser psychisch niet in orde is, aan depressie lijdt en geen medicatie heeft. Ook heeft verweerder bij de beoordeling betrokken dat eiser geen problemen heeft met de maatregel en dat in het detentiecentrum voldoende medische voorzieningen beschikbaar zijn voor eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee alle medisch relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling betrokken.
6.1.
Eisers verwijzing naar de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam doet daar niet aan af. In die zaak ging het namelijk om een situatie waarin de vreemdeling verklaarde niet gezond te zijn, terwijl de verbalisant opschreef dat de vreemdeling wel gezond was. Daarbij werden de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden niet benoemd in de maatregel. Volgens de verbalisant in de onderhavige zaak heeft eiser aangegeven ‘niet geheel gezond te zijn (depressief)’. Weliswaar zijn dat niet letterlijk eisers eigen woorden, maar de verbalisant heeft daarmee niet een onjuiste samenvatting gegeven van eisers verklaring over zijn gezondheid. Alleen al hierom is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een vergelijkbare situatie.
6.2.
Verder is naar het oordeel van de rechtbank ook anderszins niet gebleken dat de maatregel onevenredig bezwarend is. Uit vaste Afdelingsjurisprudentie [1] volgt dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat de in detentie beschikbare zorg in zijn geval niet toereikend is, dat hij niet in staat is de inbewaringstelling op verantwoorde wijze te ondergaan of dat zijn medische omstandigheden in detentie door gebrek aan (medische) zorg zullen verslechteren. Eiser is daar niet in geslaagd. Uit de medische adviezen van Medtadvies blijkt weliswaar dat eiser hulp nodig heeft, maar niet dat hij niet bij de medische dienst terecht kan of anderszins detentieongeschikt is.
6.3.
Gelet op het bovenstaande heeft verweerder in eisers medische problemen terecht geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel op te leggen.
7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [2] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Kennisgeving
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de kennisgeving onnodig heeft gedaan, omdat eiser zelf al op 13 december 2025 beroep tegen het voortduren van de maatregel heeft ingesteld. Omdat het beroep tegen het voortduren van de maatregel al op grond van het beroepschrift in de zaak met nummer NL25.61191 is beoordeeld, bestaat voor partijen geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep dat is ontstaan als gevolg van de door verweerder ingediende kennisgeving. De rechtbank zal het beroep in de zaak met nummer NL25.62997 daarom niet-ontvankelijk verklaren.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep met zaaknummer NL25.61191 ongegrond;
- verklaart het beroep met zaaknummer NL25.62997 niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:16 en 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4219.
2.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.