ECLI:NL:RBDHA:2025:25660

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
C/09/671365 / FA RK 24-6026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:207 lid 1 sub b BWArt. 198 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtelijke vaststelling vaderschap met DNA-onderzoek bevolen

Verzoekster heeft bij de rechtbank Den Haag een verzoek ingediend tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man, stellende dat hij haar biologische vader is. De man betwist dit, maar de rechtbank ziet voldoende aanleiding om een deskundigenonderzoek in de vorm van een DNA-onderzoek te gelasten om het vaderschap met zekerheid vast te stellen.

De rechtbank weegt mee dat de man eind 2023 contact heeft gezocht met de moeder van verzoekster en verzoekster zelf, waarbij details zijn uitgewisseld die wijzen op mogelijk vaderschap. Verzoekster is ontvankelijk in haar verzoek en draagt de bewijslast. Daarom moet zij ook de kosten van het DNA-onderzoek dragen.

Het DNA-onderzoek moet plaatsvinden binnen twee maanden na de beschikking en uitgevoerd worden door een geaccrediteerd laboratorium volgens internationale normen. Partijen zijn verplicht mee te werken aan het onderzoek. De rechtbank houdt de beslissing over de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap en de proceskosten pro forma aan tot 1 maart 2026, zodat eerst de DNA-resultaten kunnen worden afgewacht.

Uitkomst: De rechtbank gelast DNA-onderzoek om het vaderschap vast te stellen en houdt verdere beslissing aan tot ontvangst van de resultaten.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-6026
Zaaknummer: C/09/671365
Datum beschikking: 2 december 2025

Gerechtelijke vaststelling ouderschap

Beschikking op het op 19 augustus 2024 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster] ,

verzoekster,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.J. Bouwmeester in Noordwijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.A. Johannsen in Amsterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het bericht van 3 oktober 2024 van verzoekster, met bijlagen;
  • het bericht van 24 oktober 2024 van verzoekster, met bijlagen;
  • het verweerschrift van 23 oktober 2025, ingekomen op 27 oktober 2025.
Op 4 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de advocaat van verzoekster;
  • de man bijgestaan door zijn advocaat en vergezeld door zijn vrouw en zijn schoonmoeder.
Verzoekster is zelf niet op de zitting verschenen.

Feiten

  • Verzoekster is geboren op [geboortedatum 1] 2005 in [geboorteplaats 1] uit [naam] .
  • Verzoekster is nooit erkend.

Verzoek en verweer

Verzoekster verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens:
  • (naar de rechtbank begrijpt) het vaderschap van de man gerechtelijk vast te stellen op grond dat hij de verwekker is van verzoekster;
  • voorwaardelijk, al dan niet ambtshalve, te bepalen dat de man zijn medewerking moet verlenen aan DNA-onderzoek op grond waarvan het biologisch vaderschap kan worden vastgesteld.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, kosten rechtens.

Beoordeling

Gerechtelijke vaststelling ouderschap
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:207 lid 1 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek kan op verzoek van het kind het ouderschap van een persoon op de grond dat deze de verwekker is van het kind of op de grond dat deze als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, door de rechtbank worden vastgesteld.
Ontvankelijkheid
Voor een kind is aan een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap geen termijn verbonden. Omdat verzoekster stelt dat zij het kind van de man is, is zij ontvankelijk in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Gelet op de stukken en dat wat op de zitting is besproken, ziet de rechtbank – anders dan de man – aanleiding om een DNA-onderzoek te gelasten om de vraag of de man de verwekker van verzoekster is met zekerheid te beantwoorden. Verzoekster is in de stukken stellig dat de man haar verwekker is. Zij heeft voorafgaand aan de zitting per e-mail aan haar advocaat laten weten dat zij zich niet herkent in de door de man in zijn verweerschrift geuite twijfels over zijn verwekkerschap. Op de zitting heeft de man zich op het standpunt gesteld dat hij inmiddels zeker weet dat hij niet de verwekker van verzoekster is. De rechtbank ziet echter voldoende reden om aan te nemen dat de man de verwekker van verzoekster zou kunnen zijn. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat de man degene is die eind 2023 het contact met de moeder van verzoekster en verzoekster zelf heeft geïnitieerd en dat details zijn uitgewisseld waaruit afgeleid zou kunnen worden dat hij de biologische vader is van verzoekster. Zo heeft de man de moeder van verzoekster onder meer het volgende bericht: “
Ik ben nou eenmaal dr vader dus moet er nu ook maar voor staan wat eerder helaas niet zo was” en “
Ik weet nog dat ik ooit met deze naam aan kwam zetten”. Om definitief uitsluitsel te verkrijgen over de vraag of de man de verwekker is van verzoekster, is een deskundigenonderzoek in de vorm van een DNA-onderzoek nodig. De rechtbank zal daarom een DNA-onderzoek bevelen.
Gelet op de houding van verzoekster zal de rechtbank daarbij bepalen dat het initiatief voor het DNA-onderzoek van verzoekster moet uitgaan en dat het DNA-onderzoek binnen twee maanden na de datum van deze beschikking moet worden uitgevoerd. Omdat verzoekster degene is op wie de bewijslast rust, moet zij de kosten van het DNA-onderzoek dragen.
In navolging op het Besluit DNA-onderzoek vaderschap van 20 oktober 2008 houdende de vereisten die zijn gesteld aan het vaderschapsonderzoek in verband met erkenning bedoeld in artikel 4 lid 4 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap, dat op 1 maart 2009 in werking is getreden, stelt de rechtbank als eis dat uit het rapport moet blijken dat het onderzoek is verricht in een laboratorium dat door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd aan de hand van de criteria genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17025 of de NEN-EN ISO/IEC 15189 en de aanbevelingen van de Paternity Testing Commission van de International Society of Forensic Genetics (FSI 2007).
De rechtbank benadrukt dat partijen op grond van artikel 198 lid 3 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering verplicht zijn om mee te werken aan het DNA-onderzoek. Wordt aan deze verplichting niet voldaan, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. Dit betekent dat de rechtbank ook kan beslissen op het verzoek zonder uitslag van het DNA-onderzoek.
In afwachting van de resultaten van het DNA-onderzoek, zal de rechtbank iedere verdere beslissing over de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap pro forma aanhouden tot
1 maart 2026.
Proceskosten
Omdat de rechtbank nog een eindbeschikking zal geven, zal de rechtbank de beslissing over de proceskosten ook aanhouden.

Beslissing

De rechtbank:
beveelt een onderzoek door een deskundige van het DNA van:
1. verzoekster: [verzoekster] , geboren op [geboortedatum 1] 2005 in [geboorteplaats 1] ,
2. de man: [de man] , geboren op [geboortedatum 2] 1976 in [geboorteplaats 2] ,
en legt aan deze deskundige de vraag voor welke conclusie er aan de hand van zijn bevindingen moet worden getrokken ten aanzien van het eventuele verwekkerschap van de man;
beveelt dat verzoekster een afspraak maakt met een deskundige voor het DNA-onderzoek, aan de hand van de ISO/ISFG normen geaccrediteerd laboratorium, en dat het onderzoek moet plaatsvinden binnen twee maanden na de datum van deze beschikking, zoals in het lichaam van deze beschikking is overwogen;
Voorschot door verzoekster als degene op wie bewijslast rust, tenzij zij een toevoeging heeft.
Zie verder onder dictum voor alternatief in geval van toevoeging.
bepaalt dat verzoekster uiterlijk op 2 februari 2026 de verkregen resultaten van het
DNA-onderzoek moet opsturen naar de rechtbank, met kopie aan de man;
bepaalt dat de man, desgewenst, uiterlijk binnen twee weken na ontvangst van de resultaten van het DNA-onderzoek hierop schriftelijk kan reageren, met kopie aan verzoekster;
bepaalt dat verzoekster de kosten van het DNA-onderzoek zal dragen;
houdt iedere verdere beslissing
over de gerechtelijke vaststelling ouderschap en proceskostenaan
tot 1 maart 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S. Sluijmer als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 2 december 2025.