In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 2 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot ontkenning van het vaderschap. De vrouw heeft op 17 juli 2025 een verzoek ingediend om de ontkenning van het vaderschap van de man over hun minderjarige kind, geboren op 4 september 2017, te laten verklaren. De man en de vrouw waren gehuwd in Syrië, maar hun huwelijk is in 2018 ontbonden. De vrouw heeft twijfels over het vaderschap van de man, omdat zij tijdens het huwelijk ook een relatie had met een andere man. Een DNA-test heeft aangetoond dat de man niet de biologische vader is van het kind, wat de vrouw heeft aangetoond met een instemmingsverklaring van de man. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoek, omdat zij de termijn van een jaar na de geboorte van het kind heeft overschreden. Echter, de bijzondere curator, die de minderjarige vertegenwoordigt, is wel ontvankelijk in haar verzoek tot ontkenning van het vaderschap. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzoek van de bijzondere curator tot ontkenning van het vaderschap gegrond is, gezien het bewijs van de DNA-test. De rechtbank heeft de werkzaamheden van de bijzondere curator beëindigd, omdat deze niet meer nodig zijn in deze procedure.