Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming, gevestigd te Amsterdam,
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
3.De verzoeken
4.De standpunten
5.De beoordeling
[minderjarige 2] verblijft op dit moment nog in het gezinshuis, maar hij zou eigenlijk beter op zijn plek zijn in een woongroep, bijvoorbeeld bij [zorginstelling 2]. Daarvoor is echter een WLZ-indicatie nodig. Deze is niet afgegeven, omdat er nog een stukje groei bij hem te zien is. De kinderrechter acht het van belang dat in de komende periode wordt gezocht naar een (meer) passende plek voor [minderjarige 2], eventueel via de weg van het maatwerkcontract.
[minderjarige 3] verblijft nog bij [zorginstelling 1], maar door de onrust in haar leven komt zij daar nog niet aan behandeling toe. Nu duidelijk is geworden dat [minderjarige 3] niet naar het gezinshuis kan terugkeren, moet in de komende periode ook voor haar naar een nieuwe, passende plek worden gezocht. Zij zou goed passen op een woongroep, maar op dit moment is zij daar nog te jong voor. De kinderrechter is van oordeel dat, gelet op alle zorgen die er zijn, een jeugdbeschermer nodig is om de benodigde hulpverlening in goede banen te leiden. Verder is nodig dat het verblijf van de kinderen in het gezinshuis respectievelijk bij [zorginstelling 1] wordt gecontinueerd.
6.De beslissing
mr. E.E. Schotte, kinderrechter, in aanwezigheid van S.A. van Schaik-van Dommelen als griffier, en op schrift gesteld op 15 december 2025.
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.