ECLI:NL:RBDHA:2025:25671

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
C/09/693424 / JE RK 25-1800 en C/09-693433 / JE RK 25-1801
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van minderjarigen

Op 2 december 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven in de zaken van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming, betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarigen. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de ouders van de minderjarigen niet in staat zijn om aan de opvoedbehoeften van de kinderen te voldoen, wat hen ernstig in hun ontwikkeling bedreigt. De kinderen, [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3], hebben specialistische zorg nodig en verblijven momenteel in een gezinshuis en een zorginstelling. De kinderrechter heeft de verzoeken van de gecertificeerde instelling om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van een jaar toegewezen. De kinderrechter heeft ook de noodzaak van een jeugdbeschermer benadrukt om de benodigde hulpverlening te coördineren. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct van kracht is, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De beschikking is openbaar uitgesproken en op schrift gesteld op 15 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummers: C/09/693424 / JE RK 25-1800 en C/09-693433 / JE RK 25-1801
Datum uitspraak: 2 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 2],
[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2016 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 3].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 1],
[gezinshuisvader],
hierna te noemen: de gezinshuisvader,
en
[gezinshuismoeder],
hierna te noemen: de gezinshuismoeder,
beiden wonende te [woonplaats 2].

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling de verzoekschriften met bijlagen, ontvangen op 22 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- [naam] namens de gecertificeerde instelling;
- de gezinshuisvader.
De vader, de moeder en de gezinshuismoeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen. De gezinshuismoeder heeft de rechtbank bericht niet ter zitting te zullen verschijnen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn erkend door de vader.
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3].
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de gezinshuisouders.
2.4.
[minderjarige 3] verblijft bij [zorginstelling 1].

3.De verzoeken

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening en van [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De ouders zijn niet in staat aan te sluiten bij de opvoedbehoeften van de kinderen. [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] kampen met kind-eigen problematiek en hebben specialistische zorg nodig. Het is dan ook belangrijk dat zij op plekken verblijven waar zij deze specialistische zorg kunnen krijgen. Op dit moment lopen de spanningen tussen de ouders nog dermate hoog op dat overdracht naar het vrijwillig kader niet haalbaar is. De ouders hebben de sturing vanuit het gedwongen kader echt nodig. Ter zitting is namens de gecertificeerde instelling naar voren gebracht dat het verblijf van [minderjarige 3] bij [zorginstelling 1] aanvankelijk tijdelijk zou zijn, maar dat inmiddels duidelijk is dat zij niet terug zal keren naar het gezinshuis. Vanwege de onrust in haar leven komt [minderjarige 3] op dit moment nog niet aan behandeling toe. Een verblijf op een woongroep zou passender zijn maar dat kan pas wanneer zij 12 jaar is. Voor [minderjarige 2] wordt nog naar een andere plek gezocht. Een WLZ-indicatie is aangevraagd, maar deze aanvraag is afgewezen. [minderjarige 2] is op school geobserveerd en er is bij hem nog een stukje groei gezien waardoor hij niet voor een WLZ-indicatie in aanmerking komt. Hij heeft deze echter wel nodig om op een passende plek, bijvoorbeeld bij [zorginstelling 2], geplaatst te kunnen worden. Er wordt nu gekeken naar de mogelijkheid van een maatwerkcontract. Totdat daar duidelijkheid over is, zal hij in het gezinshuis blijven. [minderjarige 1] volgt het traject [trajectnaam]. Omdat zij het heel moeilijk vindt om mensen te vertrouwen, verloopt dat traject traag. De paardencoaching is inmiddels gestopt en er wordt nu gekeken naar de mogelijkheid van boks-therapie. Alle kinderen geven aan dat zij hun ouders willen zien. Vooral [minderjarige 1] geeft aan haar moeder vaker te willen zien dan nu het geval is. Tijdens de bezoeken wordt gezien dat ouders blijvend moeten worden aangestuurd en begrensd. De bezoeken zullen daarom begeleid blijven. De gecertificeerde instelling heeft benadrukt dat de samenwerking met de ouders heel fijn verloopt en dat de moeder meewerkt waar het gaat om het nemen van beslissingen.

4.De standpunten

4.1.
De gezinshuisvader heeft ingestemd met de verzoeken. Hoewel de ouders beperkt zijn, houden zij op hun manier wel van hun kinderen. Ondanks dat de kinderen zelf ook hun beperkingen hebben, zullen zij wel moeten leren om met hun ouders om te gaan. De gezinshuisvader heeft meegedeeld dat de relatie tussen hem en de gezinshuismoeder voorbij is, maar dat het de bedoeling is om met het gezinshuis een doorstart te maken. Het streven is wel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daar kunnen blijven wonen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding.
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. De kinderen worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Zij hebben elk hun eigen persoonlijke problematiek en ook de beide ouders kampen met persoonlijke problemen. Zij zijn niet in staat om aan te sluiten bij de bovengemiddelde opvoedbehoeften van de kinderen. Het is daarom van groot belang dat de kinderen kunnen verblijven op plekken waar wordt voorzien in deze bovengemiddelde opvoedbehoeften en waar zij de specialistische zorg ontvangen die zij nodig hebben.
[minderjarige 1] is op dit moment goed op haar plek in het gezinshuis. Haar ontwikkeling vordert stapje voor stapje. Om haar te ondersteunen bij het verwerken van haar trauma’s, volgt zij het traject [trajectnaam]. Doordat zij moeite heeft met vertrouwen, vordert dit traject zeer traag. Om haar verder te ondersteunen zal, nu de paardencoaching is gestopt, mogelijk boks-therapie worden ingezet.
[minderjarige 2] verblijft op dit moment nog in het gezinshuis, maar hij zou eigenlijk beter op zijn plek zijn in een woongroep, bijvoorbeeld bij [zorginstelling 2]. Daarvoor is echter een WLZ-indicatie nodig. Deze is niet afgegeven, omdat er nog een stukje groei bij hem te zien is. De kinderrechter acht het van belang dat in de komende periode wordt gezocht naar een (meer) passende plek voor [minderjarige 2], eventueel via de weg van het maatwerkcontract.
[minderjarige 3] verblijft nog bij [zorginstelling 1], maar door de onrust in haar leven komt zij daar nog niet aan behandeling toe. Nu duidelijk is geworden dat [minderjarige 3] niet naar het gezinshuis kan terugkeren, moet in de komende periode ook voor haar naar een nieuwe, passende plek worden gezocht. Zij zou goed passen op een woongroep, maar op dit moment is zij daar nog te jong voor. De kinderrechter is van oordeel dat, gelet op alle zorgen die er zijn, een jeugdbeschermer nodig is om de benodigde hulpverlening in goede banen te leiden. Verder is nodig dat het verblijf van de kinderen in het gezinshuis respectievelijk bij [zorginstelling 1] wordt gecontinueerd.
5.3.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de duur van een jaar. Daarnaast zal de kinderrechter voor dezelfde duur de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening en van [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen.
5.4.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tot 6 december 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening tot 6 december 2026;
6.3.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 6 december 2026;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025 door
mr. E.E. Schotte, kinderrechter, in aanwezigheid van S.A. van Schaik-van Dommelen als griffier, en op schrift gesteld op 15 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW.
2.Artikel 2 Besluit gezagsregisters.