ECLI:NL:RBDHA:2025:25713

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
NL25.61986
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht

Deze uitspraak betreft de maatregel van bewaring die door de minister van Asiel en Migratie aan de eiser is opgelegd. Eiser is het niet eens met deze maatregel en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft op 30 december 2025 de zaak behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde via een beeldverbinding aanwezig waren, evenals de gemachtigde van de minister. De rechtbank oordeelt dat de maatregel van bewaring vanaf het begin onrechtmatig is geweest, omdat de tekst in het rapport van het gehoor (de M110) ontbreekt, waardoor de verklaringen van eiser niet te controleren zijn. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 31 december 2025. Daarnaast kent de rechtbank een schadevergoeding toe van € 1.500,- aan eiser voor de onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00. De uitspraak is openbaar uitgesproken door rechter S.A. van Hoof, in aanwezigheid van griffier mr. S.M. Hampsink.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61986
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 30 december 2025 de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van bewaring die de minister aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze zaak tot het oordeel dat de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig is geweest en dat de bewaring moet worden opgeheven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft op 17 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
2.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. [2]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde (via een beeldverbinding) en de gemachtigde van de minister.
2.3.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel van bewaring met ingang van 31 december 2025
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.500,- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
3. De minister heeft tijdens de zitting aangegeven dat de maatregel van bewaring moet worden opgeheven. Dit komt doordat de tekst in het rapport van het gehoor, dat voorafging aan het opleggen van de maatregel (de M110), ontbreekt en dat deze tekst niet meer is te reproduceren. Hierdoor zijn de verklaringen van eiser niet te controleren. Daarom vindt de minister dat de bewaring vanaf het moment van het opleggen daarvan (17 december 2025) onrechtmatig is. Om deze reden moet de maatregel worden opgeheven. De minister gaf tijdens de zitting aan dat de opheffing zo snel mogelijk zal gebeuren, maar dat dit vanwege het tijdstip van de zitting (rond 16:00 uur) niet meer op die dag zelf kan. De opheffing vindt daarom zo snel mogelijk plaats, namelijk per 31 december 2025. De rechtbank zal op basis van dit verzoek ook zo besluiten.
3.1.
Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van 31 december 2025.
3.2.
De rechtbank kan, als zij de bewaring opheft, aan eiser een schadevergoeding toekennen die ten laste komt van de Staat. [3] De rechtbank vindt dat hiervoor voldoende reden is en kent een vergoeding toe voor 15 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 15 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.500,-.
3.3.
De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2025 door
mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr.S.M. Hampsink, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Dat staat in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000.
3.Op grond van artikel 106 van de Vw 2000.