ECLI:NL:RBDHA:2025:25751

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
AWB 24/19474
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende bewijs van verblijfsdoel en omstandigheden

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Den Haag het beroep van twee Surinaamse eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een visum voor kort verblijf in Nederland. De aanvraag werd door de minister van Buitenlandse Zaken afgewezen op 13 juni 2024, omdat de eisers het doel en de omstandigheden van hun voorgenomen verblijf niet aannemelijk hadden gemaakt. In het bestreden besluit van 7 november 2024 werd het bezwaar van de eisers kennelijk ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de zaak op 4 december 2025 behandeld, waarbij de gemachtigde van de eisers aanwezig was, maar de verweerder niet. De eisers stelden dat zij een hotelreservering hadden voor hun verblijf en dat zij over voldoende middelen beschikten. De rechtbank oordeelde echter dat de eisers geen concreet reisplan of andere relevante documenten hadden overgelegd die hun verblijfsdoel konden onderbouwen. Bovendien was de hotelreservering geannuleerd na het primaire besluit, en hadden de eisers in de bezwaarfase geen nieuwe reservering overgelegd.

De rechtbank concludeerde dat de minister zich op het standpunt had mogen stellen dat de eisers het doel en de omstandigheden van hun verblijf niet hadden aangetoond. De rechtbank oordeelde ook dat de eisers niet gehoord hoefden te worden, omdat er geen redelijke twijfel bestond dat hun bezwaren tot een ander besluit konden leiden. Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond, wat betekent dat de afwijzing van de visumaanvraag door de minister in redelijkheid was. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/19474

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres 1] , V-nummer: [v-nummer 1] , eiseres 1

[eiseres 2], V-nummer: [v-nummer 2] , eiseres 2
tezamen: eisers
(gemachtigde: [naam] ),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een visum voor kort verblijf.
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van 13 juni 2024 (primaire besluit) afgewezen.
1.2
Met het bestreden besluit van 7 november 2024 heeft verweerder het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard en is bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eisers deelgenomen. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres 1 is geboren op [geboortedatum 1] 1970. Eiseres 1 is de moeder van eiseres 2, die geboren is op [geboortedatum 2] 1999. Eisers hebben beiden de Surinaamse nationaliteit. Eisers hebben een visum kort verblijf gevraagd voor toeristisch verblijf in Nederland.
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag van eisers afgewezen, omdat zij het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet aannemelijk hebben gemaakt. Ook hebben eisers onvoldoende sociale en economische binding met Suriname, waardoor niet aannemelijk is gemaakt dat eisers tijdig zullen terugkeren.
Wat vinden eisers in beroep?
3. Eisers bestrijden het bestreden besluit – kort samengevat – op vier onderdelen. Ten eerste heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf van eisers onvoldoende zijn aangetoond. Eisers hebben namelijk een hotelreservering overgelegd voor hun beoogde verblijf in het [hotel] van 21 juli 2024 tot 4 augustus 2024, wat overeenkomt met het aangegeven reismotief toerisme. Verweerder heeft ook niet betrokken dat eisers een reisverzekering hebben afgesloten. Ten tweede heeft verweerder ten onrechte geoordeeld dat eisers onvoldoende sociale en economische binding hebben met Suriname. Eiseres 1 is namelijk werkzaam bij [bedrijfsnaam] en beschikt over eigendom in Suriname, en eiseres 2 studeert. Ter onderbouwing hiervan hebben eisers documenten [1] overgelegd. Ten derde heeft verweerder de overgelegde bewijstukken, waaruit blijkt dat eisers over voldoende middelen voor hun verblijf en terugreis beschikken, onvoldoende betrokken. Ten vierde heeft verweerder eisers ten onrechte niet gehoord.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Doel en de omstandigheden van het verblijf
5. De rechtbank stelt voorop dat de weigeringsgronden die zijn opgenomen in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode ieder afzonderlijk voldoende zijn om een visum te weigeren. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie beschikt verweerder over een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van deze weigeringsgronden van toepassing is. [2] De rechter kan het besluit van verweerder hierover daarom slechts terughoudend toetsen.
5.1
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eisers het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet hebben aangetoond. De rechtbank stelt vast dat eisers geen concreet reisplan of andere stukken die duidelijkheid kunnen verschaffen over hun plannen hebben overgelegd. Nu eisers hun verblijfsdoel niet hebben geconcretiseerd, heeft verweerder het reisdoel niet aannemelijk mogen achten. Daarnaast heeft verweerder opgemerkt dat de hotelreservering is geannuleerd na het uitreiken van het besluit van 13 juni 2024 en dat eisers in bezwaar – en nog voor de reis zou plaatsvinden – geen nieuwe reservering hebben overgelegd. Verweerder heeft mogen betrekken dat het op de weg van eisers lag om in de bezwaarfase een nieuwe hotelreservering over te leggen. Nu eisers dit hebben nagelaten, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt waar ze gaan verblijven. De stelling van eisers dat zij een reisverzekering hebben afgesloten, maakt het voorgaande niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Nu de hiervoor besproken weigeringsgrond de afwijzing van het visum zelfstandig kan dragen, behoeft de andere weigeringsgrond geen bespreking.
Hoorplicht
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers niet had hoeven horen. De hoogste bestuursrechter [3] heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [4] Verweerder heeft op grond van wat naar voren is gebracht in bezwaar redelijkerwijs kunnen concluderen dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden. Verweerder heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de visumaanvragen van eisers in redelijkheid heeft mogen afwijzen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden op:

Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Voetnoten

1.Een werkgeversverklaring, loonstroken en de inschrijving in het bevolkingsregister.
2.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862,
3.De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
4.Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.