ECLI:NL:RBDHA:2025:25751
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende bewijs van verblijfsdoel en omstandigheden
In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Den Haag het beroep van twee Surinaamse eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een visum voor kort verblijf in Nederland. De aanvraag werd door de minister van Buitenlandse Zaken afgewezen op 13 juni 2024, omdat de eisers het doel en de omstandigheden van hun voorgenomen verblijf niet aannemelijk hadden gemaakt. In het bestreden besluit van 7 november 2024 werd het bezwaar van de eisers kennelijk ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft de zaak op 4 december 2025 behandeld, waarbij de gemachtigde van de eisers aanwezig was, maar de verweerder niet. De eisers stelden dat zij een hotelreservering hadden voor hun verblijf en dat zij over voldoende middelen beschikten. De rechtbank oordeelde echter dat de eisers geen concreet reisplan of andere relevante documenten hadden overgelegd die hun verblijfsdoel konden onderbouwen. Bovendien was de hotelreservering geannuleerd na het primaire besluit, en hadden de eisers in de bezwaarfase geen nieuwe reservering overgelegd.
De rechtbank concludeerde dat de minister zich op het standpunt had mogen stellen dat de eisers het doel en de omstandigheden van hun verblijf niet hadden aangetoond. De rechtbank oordeelde ook dat de eisers niet gehoord hoefden te worden, omdat er geen redelijke twijfel bestond dat hun bezwaren tot een ander besluit konden leiden. Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond, wat betekent dat de afwijzing van de visumaanvraag door de minister in redelijkheid was. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.