ECLI:NL:RBDHA:2025:25759

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
09/219253-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorbereiding van verkrachting van een kind en bezit van kinderporno

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 14 november 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan de voorbereiding van de verkrachting van een 11-jarig meisje en het in bezit hebben van kinderporno. De verdachte had een hotelkamer geboekt en had contact gelegd met het slachtoffer via een chatsite, waarbij hij seksueel getinte berichten en beelden naar haar stuurde. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte zich bewust was van de jeugdige leeftijd van het slachtoffer en dat zijn handelen ernstige gevolgen heeft voor de psychische ontwikkeling van het kind. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden zoals een meldplicht en behandeling. Daarnaast is de vordering van immateriële schade van € 7.000,00 toegewezen aan de ouders van het slachtoffer. De rechtbank heeft feit 4, dat betrekking had op seksuele handelingen, vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09-219253-25
Datum uitspraak: 14 november 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1991 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 31 oktober 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Briejer en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. K. Durdu naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij, op of omstreeks 17 juli 2025 te Delft, althans in Nederland, ter voorbereiding van
het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht
jaren of meer is gesteld, te weten verkrachting van een kind beneden twaalf jaren
(art. 250 lid 1 Sr), te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2013),
opzettelijk een ruimte en/of een voorwerp en/of een informatiedrager te weten:
- een hotelkamer (geboekt bij het [hotel] ) en/of
- een ketting met de tekst “love” erop en/of
- een mobiele telefoon (waarmee een of meerdere seksueel getinte foto’s en/of
video’s en/of chat- en/of voiceberichten en/of berichten omtrent de seksuele
handelingen die in de hotelkamer verricht dienen te worden naar die [slachtoffer]
[slachtoffer] zijn gestuurd),
bestemd tot het begaan van dat misdrijf heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd,
doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;
2
hij, in of omstreeks de periode van 1 mei 2025 tot en met 17 juli 2025 te Delft,
althans in Nederland, een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten S.A.
[slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2013), indringend mondeling en/of
schriftelijk seksueel heeft benaderd op een wijze die schadelijk te achten was voor
kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door die [slachtoffer] ,
voiceberichten inhoudende (onder meer):
- “ik wil dat je me lekker pijpt baby” en/of
- “ik wil je nu zo keihard neuken, ik wil je zo graag” en/of
chatberichten inhoudende (onder meer):
- "Nog 2 dagen dat je maagd bent" (aangepast voor de leesbaarheid) en/of
- "Mag ik tijdens naar hotel gaan je vingeren" (aangepast voor de leesbaarheid)
en/of
- "Die joe eerste keer mag neuken in je strak jong kutje geielrddd",
te sturen;
3
hij, in of omstreeks de periode van 1 mei 2025 tot en met 17 juli 2025 te Delft,
althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,
een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele
strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet
had bereikt, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2013), was
betrokken of schijnbaar was betrokken, heeft vervaardigd en/of verworven en/of in
bezit heeft gehad en/of zich daartoe de toegang heeft verschaft, te weten:
een of meerdere video’s waarop te zien is dat:
- het geslachtsdeel, de billen en/of de borsten van die persoon door die persoon zelf
worden aangeraakt en/of
een of meerdere foto’s/afbeeldingen waarop te zien is dat:
- die persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij die persoon geheel of
gedeeltelijk naakt is en/of in een omgeving is in een (erotisch getinte) houding op
een wijze die niet bij haar leeftijd past;
4
hij, in of omstreeks de periode van 1 mei 2025 tot en met 17 juli 2025 te Delft,
althans in Nederland, met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten
[slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2013), meermalen, althans eenmaal,
een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten:
- het betasten van de borsten (boven kleding) van die [slachtoffer] en/of
- het brengen/houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis (boven de kleding)
in de handen van die [slachtoffer] .

3. De bewijsbeslissing

3.1. Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de feiten 1, 2 en 3 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025240703, van de politie eenheid Den Haag, (doorgenummerd pagina 1 t/m 152).
Ieder bewijsmiddel is gebruikt voor het feit of de feiten waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen voor de feiten 1, 2 en 3:
1.De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 31 oktober 2025;
2.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 18 september 2024 (p. 111-137);

3 Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 juli 2025 (p. 20-21);

4 Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 19 juli 2024 (p. 56-57).

De rechtbank gebruikt ook de volgende bewijsmiddelen voor de feiten 1 en 2:

1.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 24 juli 2024 (p. 80-81);

2.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 juli 2024 (p. 16-18).

3.2.
Vrijspraak feit 4
De rechtbank is met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank stelt voorop dat volgens het vierde lid van artikel 341 Sv het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van de verdachte. De rechtbank stelt vast dat de verdachte feit 4 heeft bekend, maar dat het slachtoffer hierover niets heeft verklaard, ook niet toen daar door verbalisanten naar werd gevraagd. De verklaring van de verdachte vindt ook geen steun in andere verklaringen van het slachtoffer of ander (steun)bewijs. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank in de andere bewezenverklaarde feiten geen steunbewijs, omdat deze in een te ver verwijderd verband staan tot de specifieke seksuele handelingen zoals ten laste gelegd onder 4. Dit betekent dat slechts sprake is van de enkele bekennende verklaring van de verdachte, wat onvoldoende is voor een bewezenverklaring. De rechtbank spreekt dan ook vrij van feit 4.
3.3.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op of omstreeks 17 juli 2025 te Delft ter voorbereiding van
het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht
jaren of meer is gesteld, te weten verkrachting van een kind beneden twaalf jaren, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2013), opzettelijk een ruimte en een voorwerp en een informatiedrager te weten:
- een hotelkamer (geboekt bij het [hotel] ) en
- een ketting met de tekst “love” erop en
- een mobiele telefoon (waarmee meerdere seksueel getinte foto’s en video’s en chat- en voiceberichten en berichten omtrent de seksuele handelingen die in de hotelkamer verricht dienen te worden naar die [slachtoffer] zijn gestuurd),
bestemd tot het begaan van dat misdrijf heeft verworven, vervaardigd en voorhanden heeft gehad;
2
hij in de periode van 1 mei 2025 tot en met 17 juli 2025 in Nederland een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2013), indringend mondeling en schriftelijk seksueel heeft benaderd op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door die [slachtoffer] , voiceberichten inhoudende (onder meer):
- “ ik wil dat je me lekker pijpt baby” en
- “ ik wil je nu zo keihard neuken, ik wil je zo graag” en
chatberichten inhoudende (onder meer):
- " Nog 2 dagen dat je maagd bent" (aangepast voor de leesbaarheid) en
- " Mag ik tijdens naar hotel gaan je vingeren" (aangepast voor de leesbaarheid)
en
- " Die joe eerste keer mag neuken in je strak jong kutje geielrddd", te sturen;
3
hij in de periode van 1 mei 2025 tot en met 17 juli 2025 te Delft in Nederland meermalen, een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2013), was betrokken, heeft verworven en in bezit heeft gehad, te weten:
meerdere video’s waarop te zien is dat:
- het geslachtsdeel, de billen en de borsten van die persoon door die persoon zelf
worden aangeraakt en
een of meerdere foto’s/afbeeldingen waarop te zien is dat:
- die persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij die persoon geheel of
gedeeltelijk naakt is en in een omgeving is in een (erotisch getinte) houding op
een wijze die niet bij haar leeftijd past.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren met hieraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Verder heeft de officier van justitie de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht gevorderd, met een contact- en locatieverbod voor het woonadres van de slachtoffers, met 2 weken hechtenis per overtreding, een maximum van 6 maanden en een proeftijd van 3 jaren.
De officier van justitie heeft verder verzocht om de bijzondere voorwaarden en de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij de door de officier van justitie geëiste straf het onvoorwaardelijke deel te beperken tot zes maanden.
De raadsman heeft zich niet verzet tegen het contact- en locatieverbod.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte, destijds 33 jaar oud, heeft de verkrachting van het 11-jarige slachtoffer in een hotel voorbereid. Hij heeft contact gelegd met het slachtoffer via een chatsite, heeft haar vervolgens over de periode van een maand steeds explicietere seksuele berichten gestuurd en heeft tientallen indringende kinderpornografische naaktfoto’s en -video’s van het slachtoffer verzameld en bewaard. De verdachte heeft er uiteindelijk op aangedrongen om het slachtoffer te ontmoeten. Daarvoor heeft de verdachte een hotelkamer geboekt en een ketting met de tekst “love” gekocht om het slachtoffer te bewegen mee te werken. In berichten aan het slachtoffer omschrijft de verdachte op expliciete wijze welke seksuele handelingen hij met haar wilde uitvoeren. Het is aan een oplettende hotelmedewerker, die de situatie niet vertrouwde, te danken geweest dat het niet tot seksueel contact met het slachtoffer is gekomen.
Kwalijk is dat de verdachte zich terdege bewust was van de jeugdige leeftijd van het slachtoffer. Hoewel de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat de verdachte ervan op de hoogte was dat het slachtoffer pas elf jaar oud was, wist hij wel dat zij zo jong was dat hij daardoor in de problemen kon komen. Dat de verdachte wist dat wat hij deed niet in de haak was blijkt ook uit het feit dat hij heeft geprobeerd zijn handelen te verhullen: hij ging niet tegelijkertijd met het slachtoffer het hotel in en heeft het slachtoffer geïnstrueerd om de hotelmedewerkers te vertellen dat zij zijn zus was, die hem kwam opzoeken.
Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort feiten daar nog lange tijd nadelige psychische gevolgen van kunnen ondervinden. Bovendien heeft de verdachte hiermee, en door het sturen van seksuele berichten en het verwerven van naaktbeelden van het slachtoffer, de normale en gezonde seksuele ontwikkeling die zij in de toekomst zou doormaken, nu al op grove wijze doorkruist. Door zijn handelen heeft de verdachte zijn eigen lustgevoelens gesteld boven de gevoelens van het slachtoffer. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
Tijdens de zitting hebben de ouders van het slachtoffer gesproken namens het slachtoffer. Het is nog niet duidelijk hoe wat er is gebeurd zal uitwerken op het slachtoffer, maar duidelijk is dat wat er gebeurd is diepe sporen achterlaat bij het slachtoffer en haar ouders.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 september 2025, waarop blijkt dat hij niet eerder wegens een zedendelict met justitie in aanraking is gekomen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 21 oktober 2025, waaruit volgt dat sprake is van een laag tot matig recidiverisico. De reclassering schrijft dat er vooralsnog geen aanwijzingen lijken te zijn voor een seksuele voorkeur voor minderjarigen. Wel ziet de reclassering dat de beperkte cognitieve vaardigheden van verdachte risicoverhogend kunnen zijn. De reclassering schrijft ook dat – nu onduidelijk is gebleven of de verdachte wist dat het slachtoffer zo jong was – zij het belangrijk vindt om de verdachte en zijn problematiek beter in beeld te krijgen en te monitoren hoe hij zich ontwikkelt na detentie. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulant behandeling, het vermijden van contact met minderjaren en het vermijden van digitale omgevingen seksueel kindermisbruik.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij wat in vergelijkbare zaken wordt opgelegd.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. De rechtbank zal aan dat voorwaardelijk deel ook verbinden de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.
Gelet op de aard en context van de bewezenverklaarde feiten en de door de reclassering genoemde risicofactor voor recidive, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarmee is voldaan aan het wettelijk criterium voor dadelijke uitvoerbaarheid.
De rechtbank zal, anders dan door de officier van justitie is geëist, géén vrijheidsbeperkende maatregel met een contact- en locatieverbod opleggen. Deze maatregel is niet geadviseerd door de reclassering en bovendien wordt al een contactverbod opgelegd, omdat de door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden ook inhouden dat de verdachte contact met minderjarigen moet vermijden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
[naam] , één van de ouders van het slachtoffer, heeft als wettelijk vertegenwoordiger van benadeelde [slachtoffer] en met bijstand van mr. M.L. Hoogendoorn een vordering ingediend. De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 7.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht – bij toewijzing – het bedrag te beperken tot
€ 2.000,00.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Vordering
Op grond van artikel 6:106, eerste lid, onder b sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) komt een benadeelde partij onder meer een vergoeding toe voor immateriële schade indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De rechtbank is op basis van het dossier en de ingediende vordering van oordeel dat de benadeelde partij op andere wijze, als bedoeld in voornoemd artikellid, in haar persoon is aangetast. In deze zaak gaat het om voorbereiding van verkrachting van een 11-jarig slachtoffer, waarbij over een langere periode seksuele berichten aan het slachtoffer zijn gestuurd, naaktbeelden van het slachtoffer zijn verzameld, en het slachtoffer is bewogen om daadwerkelijk naar de verdachte toe te komen. De verkrachting is op het laatste moment verijdeld. Deze feiten leveren naar het oordeel van de rechtbank een normschending op die zo ernstig is en waarvan de relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde zodanig voor de hand liggen, dat een persoonsaantasting zonder meer kan worden aangenomen.
De benadeelde partij heeft dus rechtstreeks immateriële schade geleden door de bewezenverklaarde feiten. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op de is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 7.000,00.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering geheel toewijzen tot het bedrag van € 7.000,00, bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 17 juli 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Omdat de vordering wordt toegewezen, zal de rechtbank de verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil (€ 0). Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 7.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [slachtoffer] .
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 36f, 46, 55, 57, 250, 251 en 252 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.3 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1 en feit 2:
de eendaadse samenloop van
voorbereiding van verkrachting in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren;
en
indringend mondeling of schriftelijk seksueel benaderen van een kind beneden de leeftijd van zestien jaren op een wijze die schadelijk te achten is voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 3:
een visuele weergave van seksuele aard of met een onmiskenbare seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken, verwerven en in bezit hebben, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 20 (TWINTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat
een gedeelte van die straf, groot 8 (ACHT) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegdonder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich meldt bij Reclassering Nederland op het adres Bezuidenhoutseweg 179, 2594 AH Den Haag zodra hij hiervoor wordt uitgenodigd. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- indien de reclassering het nodig vindt zich laat behandelen door de forensische polikliniek de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- behalve met zijn eigen kinderen, op geen enkele wijze contact met minderjarigen zoekt. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk. Als contacten onvermijdelijk zijn dan bespreekt de veroordeelde dit met de reclassering en zorgt de veroordeelde dat een volwassen verantwoordelijke hierbij aanwezig zijn;
- gedurende de gehele proeftijd:
1. digitale omgevingen vermijdt waarin hij in aanraking kan komen met kinderpornografisch materiaal;
2) digitale omgevingen vermijdt waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd; geen gebruik maakt van virtuele machines, versleutelprogramma's (zoals Bitlocker, Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals een VPN), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik (zoals voor werk of voor bankzaken);
3) inzicht geeft in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder 1. en 2. zal vermijden en bespreekt hoe dit verlopen is voor het verstreken deel van de proeftijd.
Het toezicht op de naleving van de onderdelen 1. tot en met 3. beperkt zich tot
geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices, USB- sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden opgeslagen en/of waarmee internet kan worden benaderd en die de veroordeelde in gebruik heeft. De veroordeelde werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die de veroordeelde in gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. Op verzoek past veroordeelde de instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden tot definitieve wijzigingen aan het apparaat en worden aan het einde van de controle weer teruggezet. De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen. De controles mogen gedurende de gehele proeftijd maximaal (circa) drie keer per jaar worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de veroordeelde zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controles strekken er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de veroordeelde;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht. uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 7.000,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 7.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [slachtoffer] ;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 70 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.P.M. Meskers, voorzitter,
mr. A. Dantuma-Hieronymus, rechter,
mr. J.M. Meester, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. S. ten Voorde en S.J.H. Oosterloo, LLM, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 november 2025.
Mr. A. Dantuma-Hieronymus en griffier S.J.H. Oosterloo zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.