ECLI:NL:RBDHA:2025:25772

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 januari 2026
Zaaknummer
C/09/670614 / FA RK 24-5654
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 lid 3 BWArt. 1:212 BWArt. 1:253c lid 1 BWArt. 1:377a lid 1 BWArt. 1:377a lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vervangende toestemming erkenning en omgangsregeling minderjarige

De man verzocht de rechtbank om vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van zijn minderjarige kind, een omgangsregeling vast te stellen, gezamenlijk gezag toe te kennen en een informatieregeling te treffen. De moeder gaf geen toestemming voor erkenning en voerde aan dat de man herhaaldelijk afspraken niet nakwam, wat tot teleurstelling bij het kind leidde.

De bijzondere curator adviseerde aanvankelijk toewijzing van het verzoek tot erkenning, maar wijzigde haar standpunt vanwege het patroon van de man om afspraken niet na te komen en zijn afwezigheid bij de zitting. De rechtbank oordeelde dat toewijzing van het verzoek tot erkenning het belang van het kind zou kunnen schaden door het risico op teleurstelling en belemmering van een evenwichtige sociaalpsychologische ontwikkeling.

Daarom wees de rechtbank het verzoek tot vervangende toestemming erkenning, omgangsregeling en informatieregeling af en verklaarde de man niet-ontvankelijk in het verzoek tot gezamenlijk gezag, aangezien erkenning een vereiste is voor gezamenlijk gezag. De werkzaamheden van de bijzondere curator werden beëindigd en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot vervangende toestemming erkenning, omgangsregeling en informatieregeling af en verklaart de man niet-ontvankelijk in het verzoek tot gezamenlijk gezag.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-5654
Zaaknummer: C/09/670614
Datum beschikking: 3 december 2025
Vervangende toestemming erkenning, omgangsregeling, gezag, informatieregeling

Beschikking op het op 23 juli 2024 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Süzen te Rotterdam.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.R. Arema te Rotterdam.

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats],

de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. M. Braat,
advocaat te ’s-Gravenhage,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het verslag van de bijzondere curator;
  • de brief van 24 oktober 2024 van de man;
  • de brief van 16 april 2025 van de man;
  • het verweerschrift, tevens zelfstandige verzoeken.
Op 5 november 2025 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • mr. G. Arslan als waarnemend advocaat van de man;
  • de moeder met haar advocaat;
  • de bijzondere curator;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
De man is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet op de zitting verschenen.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man strekt ertoe:
  • hem vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) te verlenen, zodat hij [minderjarige] kan erkennen;
  • een zorgregeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige], waarbij de [minderjarige] elke vrijdag van 16.00 uur tot zondag 18.00 uur en de helft van de vakanties en de feestdagen bij hem zal zijn;
  • partijen gezamenlijk te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige];
  • te bepalen dat de vrouw een keer in de twee weken schriftelijk informatie dient te verschaffen aan de man omtrent de ontwikkeling van [minderjarige],
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder heeft verweer gevoerd welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
De bijzondere curator verzoekt het verzoek van de man strekkende tot het verlenen van vervangende toestemming om [minderjarige] te mogen erkennen, toe te wijzen.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
  • De minderjarige is niet erkend.
  • De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over de minderjarige.
  • De moeder geeft geen toestemming voor de erkenning door de man.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 14 augustus 2024 is mr. M. Braat voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 BW Pro te vertegenwoordigen.
  • Bij kort geding vonnis van 5 november 2021 heeft de voorzieningenrechter de vordering van de vader tot nakoming van de door partijen overeengekomen omgangsregeling na te komen, afgewezen.

Beoordeling

Vervangende toestemming erkenning
Wettelijk kader
Artikel 1:204 lid 3 BW Pro bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van de minderjarige.
Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als de minderjarige er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige geschaad zouden worden in geval van erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.
Standpunt man
Partijen hebben van 1996 tot 2018 een affectieve relatie gehad. Ook na de verbreking van de relatie had de man regelmatig contact met [minderjarige] en was hij betrokken bij zijn leven. De man is in 2019 gedetineerd geweest en gedurende deze periode kwam de moeder samen met [minderjarige] naar de gevangenis op bezoek. Toen de man in 2020 een sociale huurwoning toegewezen kreeg en [minderjarige] vaker wilde zien, wilde de moeder dit niet. De man stelt dat het in het belang is van [minderjarige] dat hij hem erkent. De man is de verwekker van [minderjarige] en hij wenst dat in rechte vast komt te staan dat hij de juridisch vader is. De man heeft meerdere keren afspraken gemaakt bij de gemeente om de erkenning te regelen, maar de moeder is nooit komen opdagen.
Standpunt moeder
De moeder heeft op de zitting verteld dat de man op eigen houtje een aantal keer een afspraak heeft gemaakt bij het gemeentehuis, maar dat zij duidelijk aan hem heeft aangegeven dat zij daar niet mee akkoord ging. De moeder heeft gesteld dat [minderjarige] in het verleden veel last heeft gehad van het feit dat de man telkens niet kwam opdagen bij omgangsmomenten, onder andere tijdens het traject bij [instantie]. Het is een patroon bij de man dat hij uiteindelijk niet komt opdagen en het laat afweten. Dat hij niet op de zitting is verschenen toont dit volgens de moeder ook aan. Dit zorgt wederom voor teleurstelling bij [minderjarige]. De moeder vindt dat dit voorkomen moet worden en stelt daarom dat de verzoeken van de man moeten worden afgewezen.
Standpunt BC
Voor het opstellen van een rapport is het de bijzondere curator niet gelukt de man te spreken. Bij de gemaakte afspraken is hij niet verschenen dan wel heeft hij de afspraak kort tevoren afgezegd. De bijzondere curator heeft wel de moeder gesproken en hieruit volgt dat er veel spanningen zijn geweest gedurende de turbulente relatie van partijen. Bij de moeder is er geen vertrouwen dat de man zijn verantwoordelijkheid als vader neemt en op constructieve wijze een vaderrol kan vervullen in het leven van [minderjarige]. De bijzondere curator vond het blijkens het rapport voor [minderjarige] belangrijk dat het vaderschap van de man wordt vastgesteld en de juridische werkelijkheid in lijn wordt gebracht met de biologische werkelijkheid. [minderjarige] weet wie zijn vader is en heeft bovendien twee broers die wel door de man zijn erkend. In het rapport van de bijzondere curator adviseerde zij om het verzoek van de man toe te wijzen. Op de zitting heeft de bijzondere curator haar standpunt gewijzigd en aangegeven er geen vertrouwen in te hebben dat de man na eventuele toewijzing van zijn verzoek de erkenning van [minderjarige] zal gaan regelen bij de gemeente. Dit gelet op het patroon bij de man dat hij bij [instantie] heeft laten afweten, drie keer niet op de afspraak met de bijzondere curator is verschenen en op de zitting evenmin is verschenen. Daarom adviseert zij het verzoek van de man af te wijzen.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt. Alle partijen zijn het erover eens dat het in het belang van [minderjarige] is dat hij wordt erkend door de man. Het verzoek tot vervangende toestemming om [minderjarige] te erkennen kan echter worden afgewezen indien er voor [minderjarige] reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. De rechtbank is van oordeel dat hier sprake van is. Net als de bijzondere curator heeft de rechtbank er geen vertrouwen in dat de man bij toewijzing van zijn verzoek daadwerkelijk de stap gaat zetten om [minderjarige] te erkennen. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat [instantie] in haar eindverslag heeft aangegeven dat de vader veel afspraken heeft geannuleerd en dat dit zeer teleurstellend voor [minderjarige] was, dat de vader verder bij de drie afspraken met de bijzondere curator niet is verschenen, hij evenmin ter zitting is verschenen en zijn advocaat op de zitting bovendien heeft aangegeven dat zij sinds een tijd geen contact meer krijgt met de man. De rechtbank wil voorkomen dat een toewijzing van het verzoek van de man tot een nog grotere teleurstelling bij [minderjarige] zal leiden doordat de man [minderjarige] dan wel kán erkennen, maar het vervolgens niet doet. Deze teleurstelling wil de rechtbank [minderjarige] besparen, zodat zij het verzoek van de man nu zal afwijzen.
Beëindiging werkzaamheden bijzondere curator
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Omgangsregeling
Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met het kind. Op grond van artikel 1:377a, tweede lid, BW stelt de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. Omdat de man niet op de zitting is verschenen en zijn advocaat geen contact met hem kan krijgen, is het vaststellen van een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] momenteel niet mogelijk.
Gezag
Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.
Gelet op voornoemde wetsbepaling moet de man [minderjarige] eerst hebben erkend, wil sprake kunnen zijn van gezamenlijk gezag. Met ‘ouder’ wordt namelijk de juridisch ouder bedoeld en niet de biologische vader/verwekker. Nu de rechtbank het verzoek van de man tot vervangende toestemming erkenning zal afwijzen, zal de man niet-ontvankelijk worden verklaard in het verzoek tot gezamenlijk gezag.
Informatieregeling
Op grond van het eerste lid van artikel 1:377b BW is de ouder die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen – zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van de ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.
De man is momenteel niet bereikbaar, maar als hij weer in beeld komt acht de rechtbank het van belang dat de moeder hem eenmaal in de twee maanden informeert over belangrijke zaken aangaande [minderjarige]. Nu deze situatie zich nu niet voordoet, zal de rechtbank dit niet in het dictum opnemen en het verzoek afwijzen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
*
wijst af de verzoeken van de man tot het verlenen van vervangende toestemming voor de erkenning van [minderjarige], het vaststellen van een omgangsregeling en het vaststellen van een informatieregeling;
*
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot gezamenlijk gezag over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats];
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 december 2025.