ECLI:NL:RBDHA:2025:2586

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2025
Publicatiedatum
21 februari 2025
Zaaknummer
NL25.4620
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000Art. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

De minister legde op 27 januari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 op, vanwege onder meer het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland en het onttrekken aan toezicht. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding.

Tijdens de zitting op 11 februari 2025 betwistte eiser diverse zware en lichte gronden die de minister aanvoerde, zoals het ontbreken van een geldig reisdocument en het onttrekken aan toezicht. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de zware gronden heeft vastgesteld, waaronder het feit dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en zich aan het toezicht heeft onttrokken.

Eiser voerde ook aan dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom niet met een lichter middel dan bewaring kon worden volstaan, mede vanwege zijn psychische klachten en onvoldoende medische zorg. De rechtbank vond de motivering van de minister voldoende en stelde dat de medische zorg in het detentiecentrum vergelijkbaar is met die in de vrije maatschappij.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig is en wees het beroep ongegrond. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4620

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen (via een beeldverbinding), bijgestaan door mr. M. Pater, als waarnemer van zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
Eiser betwist de zware gronden 3a, 3b, 3c, 3e en 3i en de lichte gronden 4a, 4b, 4c en 4d. Met betrekking tot de zware grond 3a voert eiser aan dat hij Nederland als asielzoeker is binnengekomen en hem daarom niet kan worden verweten zonder paspoort te zijn ingereisd. Over zowel de zware grond 3b als de lichte grond 4a voert eiser aan dat, gezien zijn psychische klachten, de handhaving en toezichtlocatie (htl) geen fijne plek is en hij daarom is weggegaan. Aangezien eiser met medeweten van de minister vervolgens naar het Leger des Heils is gegaan, heeft eiser zich niet aan het toezicht op vreemdelingen onttrokken. Met betrekking tot de zware grond 3c voert eiser aan dat hij inmiddels weer een nieuwe asielaanvraag heeft ingediend en de uitkomst van die aanvraag in Nederland mag afwachten. Wat betreft de zware grond 3e voert eiser aan dat zijn gegevens verkeerd zijn geregistreerd door de Belgische autoriteiten. Hij heeft daar zelf geen bemoeienis mee gehad. Over de zware grond 3i voert eiser aan dat hem niet kan worden verweten geen gevolg te zullen geven aan zijn verplichting tot terugkeer, aangezien hij in Nederland asiel heeft aangevraagd. Met betrekking tot de lichte grond 4b voert eiser aan dat het indienen van meerdere asielaanvragen geen blijk geeft van een onttrekkingsrisico maar dat eiser zijn verblijf in Nederland wil regelen. Over de lichte grond 4c voert eiser aan dat hij zich als asielzoeker niet kan inschrijven en hem daarom niet kan worden tegengeworpen geen vaste woon- of verblijfplaats te hebben. Tot slot voert eiser over de lichte grond 4d aan dat het hem als asielzoeker ook niet is toegestaan om te werken en hem daarom niet kan worden tegengeworpen niet over voldoende middelen van bestaan te beschikken.
1.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de zware grond 3a terecht tegengeworpen, omdat deze feitelijk juist is. Zoals de minister terecht heeft gesteld, is niet gebleken dat eiser Nederland op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Eiser beschikt niet over een geldig reisdocument of een voor hem geldig visum om Nederland in te reizen. Hieraan wordt terecht de conclusie verbonden dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Dat eiser Nederland als asielzoeker is ingereisd, doet daar niet aan af. Voor asielzoekers geldt immers ook dat zij bij inreis in het bezit moeten zijn van een geldig paspoort. Verder heeft de minister de zware grond 3b terecht tegengeworpen, omdat deze feitelijk juist is. Eiser is namelijk op 31 juli 2023 en 23 november 2023 geregistreerd als met onbekende bestemming vertrokken. Dat eiser - al dan niet met medeweten van de minister - naar het Leger des Heils is gegaan, maakt niet dat eiser zich niet meer aan de aan hem opgelegde meldplicht had moeten houden.
1.3.
De zware gronden 3a en 3b zijn feitelijk juist en de niet betwiste zware grond 3i kunnen de maatregel van bewaring voldoende dragen. De rechtbank zal daarom niet verder ingaan op wat eiser over de overige gronden heeft aangevoerd. Het betoog van eiser slaagt dus niet.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom niet is volstaan met een lichter middel?
2. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Daartoe voert eiser aan dat hij psychische problemen heeft en dat zijn psychische situatie sinds de inbewaringstelling is verslechterd. Hoewel eiser op 4 februari 2025 een ‘Formulier Sprekersbriefje Medische Dienst’ heeft ingevuld om met een psycholoog te praten over zijn mentale problemen, is hij nog steeds niet opgeroepen door de medische dienst. Ook is de medicatie van eiser stopgezet. De medische zorg in het detentiecentrum is dus onvoldoende en eiser wil zijn asielaanvraag daarom in een asielzoekerscentrum (azc) afwachten.
2.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. De rechtbank verwijst daarbij in eerste instantie naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Verder wijst de minister er terecht op dat hij de psychische klachten van eiser al heeft meegewogen in de afweging om geen lichter middel toe te passen. De minister heeft in deze omstandigheden terecht geen aanleiding gezien om aan eiser een lichter middel op te leggen. Daarbij wijst de minister er op dat voor eiser medische zorg aanwezig is in het detentiecentrum. Deze medische voorzieningen moeten vergelijkbaar worden verondersteld met de medische zorg in de vrije maatschappij. [1] Bovendien heeft eiser op zitting toegelicht dat hij inmiddels contact heeft gehad met de medische dienst en heeft hij aangegeven geen medicatie te krijgen. Dat eiser het niet eens is met deze beslissing maakt niet dat eiser onvoldoende zorg krijgt. Indien eiser meent dat hij niet de benodigde zorg krijgt, dan kan hij daarover een klacht indienen bij de directeur van het detentiecentrum.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [2]

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS 5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:16.
2.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.