ECLI:NL:RBDHA:2025:25934

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
C/09/671908 / FA RK 24-6313
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststellen omgangsregeling tussen vader en minderjarige

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 5 december 2025 een beschikking gegeven in een verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen de vader en zijn minderjarige dochter. De vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. T. Venneman, verzocht om een omgangsregeling waarbij de minderjarige elk weekend bij hem zou verblijven. De moeder, vertegenwoordigd door haar advocaat mr. R.C. Post, verzet zich tegen dit verzoek en wijst op de negatieve impact die contact met de vader zou hebben op de ontwikkeling van de minderjarige. De rechtbank heeft de feiten en omstandigheden van de zaak zorgvuldig gewogen, waaronder het verleden van de ouders, de recente veroordeling van de vader voor mishandeling, en de zorgen over zijn psychisch welzijn. De rechtbank concludeert dat omgang met de vader niet in het belang van de minderjarige is en dat het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling moet worden afgewezen. De rechtbank benadrukt dat de afwijzing van het verzoek tijdelijk is en dat de vader in de toekomst opnieuw kan verzoeken om een omgangsregeling indien de omstandigheden wijzigen. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-6313
Zaaknummer: C/09/671908
Datum beschikking: 5 december 2025

Omgang

Beschikking op het op 3 september 2024 ingekomen verzoekschrift van:

[de vader] ,

de vader,
met een briefadres in [plaats] ,
advocaat: mr. T. Venneman in 's-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend geheim adres,
advocaat: mr. R.C. Post in 's-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het verweerschrift, met bijlagen, ingekomen op 3 oktober 2024;
  • het bericht van 20 augustus 2025 van de moeder;
  • het bericht van 22 augustus 2025 van de moeder, met bijlage;
  • het bericht van 24 oktober 2025 van de moeder;
  • het bericht van 27 oktober 2025 van de moeder, met bijlagen;
  • het bericht van 5 november 2025 van de moeder, met bijlage;
Op 7 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder (via een videoverbinding), bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Feiten

  • De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum 1] 2022 in [geboorteplaats] .
  • De vader heeft [de minderjarige] erkend.
  • De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast.
  • Bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 10 juni 2025 – voor zover hier relevant –:
  • vernietigt het hof het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
  • verklaart het hof zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
  • verklaart het hof niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
  • verklaart het hof het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
  • veroordeelt het hof de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.
  • legt het hof op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 jaren:
  • op geen enkele wijze– direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [naam 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2006;
  • op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [naam 3] , geboren op [geboortedatum 3] 1996;
  • op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [naam 4] , geboren op [geboortedatum 4] 1974.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens, een omgangsregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] elk weekend van vrijdagmiddag tot zaterdagmiddag of van zaterdagmiddag tot zondagmiddag bij de vader verblijft en daarin zo nodig een opbouw in aan te brengen als voorgesteld in het verzoek onder randnummer 7.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Omgang
Standpunt vader
De vader wil contact met [de minderjarige] . Tussen de ouders heeft een incident plaatsgevonden waarna de moeder aangifte tegen de vader heeft gedaan. De vader is strafrechtelijk veroordeeld wegens mishandeling van onder andere de moeder, en de vader heeft hiervoor in detentie gezeten. Er is tevens een contactverbod opgelegd aan de vader. De vader is van mening dat hij onterecht is veroordeeld. Hij betreurt het dat er een incident heeft plaatsgevonden, maar desondanks wenst de vader dat hij contact krijgt met [de minderjarige] en dat zij haar vader gaat leren kennen. De vader meent dat dit ook in het belang van [de minderjarige] is. De vader verzoekt daarom een (begeleide) omgangsregeling vast te stellen en daar een opbouw in aan te brengen, waarbij [de minderjarige] (bijvoorbeeld) de eerste twee maanden elk weekend drie uur met de vader doorbrengt, de volgende twee maanden uit te breiden naar zes uur per weekend en daarna uit te breiden naar een overnachting waarbij [de minderjarige] elk weekend van vrijdagmiddag tot zaterdagmiddag of van zaterdagmiddag tot zondagmiddag bij de vader verblijft. Mocht de rechtbank geen mogelijkheid zien tot (begeleide) omgang, dan wil de vader dat de Raad een onderzoek doet.
Standpunt moeder
De moeder wil dat het verzoek van de vader wordt afgewezen. De ouders hebben een belast verleden en meerdere incidenten hebben plaatsgevonden. De moeder verwacht dat contact tussen de vader en [de minderjarige] een negatieve impact zal hebben op [de minderjarige] haar ontwikkeling. Dit vindt de moeder verontrustend, zeker nu het juist langzaam beter met [de minderjarige] gaat. [de minderjarige] heeft volgens de betrokken hulpverlening baat bij rust, stabiliteit, veiligheid en structuur. Contact tussen [de minderjarige] en de vader zal hier volgens de moeder niet aan bijdragen. De moeder verwacht niet alleen dat contact tussen [de minderjarige] en de vader een grote impact heeft op [de minderjarige] haar ontwikkeling, maar ook op haar veiligheid. Er zijn immers recente zorgen over de mentale gesteldheid van de vader. De moeder vreest niet alleen dat de vader [de minderjarige] iets zal aandoen, maar ook dat hij haar zal meenemen naar het buitenland. Hier heeft de vader immers vaker mee gedreigd. Deze zorgen lijken gelet op het arrest van het hof Den Haag van 10 juni 2025 en de daarin opgenomen bevindingen van de reclassering ook niet ongegrond. Daarnaast is de moeder van mening dat niet van haar verwacht kan worden dat zij instemt en meewerkt aan een omgangsregeling. De moeder is gediagnostiseerd met PTSS als gevolg van het geweld dat tussen de ouders heeft plaatsgevonden. Het contact tussen de vader en [de minderjarige] zal een grote negatieve impact hebben op het mentale welzijn van de moeder, wat ook weer zijn weerslag op [de minderjarige] zal hebben. Ook brengt (begeleide) omgang praktische bezwaren met zich mee. De moeder is bang dat de vader haar naar huis zal volgen en uit het arrest van het hof blijkt dat de vader werkloos is en in een noodopvang verblijft. De moeder acht dit geen stabiele basis voor contact met [de minderjarige] . Concluderend is de moeder van mening dat contact tussen [de minderjarige] en de vader niet in het belang van [de minderjarige] is en zij verzoekt het verzoek van de vader af te wijzen.
Juridisch kader
Met betrekking tot de omgang overweegt de rechtbank dat het kind op grond van artikel 1:377a eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) recht heeft op omgang met haar ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot haar staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. De rechtbank ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang op verzoek van de ouders of van één van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind. Op grond van artikel 1:377a derde lid BW ontzegt de rechtbank het recht op omgang
slechts, indien: a) omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of b) de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of c) het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij haar verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met haar ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of d) omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Oordeel rechtbank
Uit de stukken en uit dat wat op de zitting met de ouders en de Raad is besproken, is de rechtbank gebleken dat sprake is van een patroon van dwingende controle en fysiek geweld van de vader naar de moeder. Dat blijkt onder meer uit het door de moeder overgelegde verslag van het Crisis Interventie Team, het verslag van de betrokken maatschappelijk werker uit het HagaZiekenhuis en de berichten van het Veilig Verder Team. De rechtbank betrekt daarbij ook hetgeen het hof Den Haag in het arrest van 10 juni 2025 heeft overwogen ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de vader. Het hof heeft daarover het volgende overwogen:
“In het reclasseringsrapport van 23 oktober 2023 worden zorgen geuit over het psychisch welzijn van de verdachte. Er wordt onder andere geadviseerd een contact- en locatieverbod met elektronische monitoring aan de verdachte op te leggen. Uit het verslag van voortijdige negatieve beëindiging van het reclasseringstoezicht van 13 augustus 2024 blijkt dat de verdachte zich niet aan de
in een andere zaak opgelegde bijzondere voorwaarden houdt. De zorgen over het psychisch welzijn van de verdachte bestaan nog steeds. Daarnaast wordt in dit verslag het risico op recidive en letsel ingeschat als hoog. De verdachte wil niet meewerken aan het
reclasseringstoezicht. De reclassering heeft klinische opname aan de verdachte aangeboden, maar dit weigert hij. De reclassering ziet een beginnend patroon van partnermishandeling. Dat de verdachte zijn dochter nog steeds niet kan zien wordt door de reclassering gezien als een grote bron van frustratie voor de verdachte en de reclassering sluit niet uit dat hij het slachtoffer, de moeder van zijn dochter, in de toekomst weer zal
benaderen.”
Hoewel de rechtbank van oordeel is dat het in beginsel wenselijk is dat er omgang is tussen de vader en [de minderjarige] , acht de rechtbank het – net als de Raad – in de huidige omstandigheden niet in het belang van [de minderjarige] dat er omgang is tussen hen. De rechtbank zal het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling daarom afwijzen en overweegt daartoe het volgende.
Hoewel [de minderjarige] vooruitgang laat zien met de huidige hulpverlening, maakt de rechtbank zich zorgen om de ontwikkeling van [de minderjarige] . Bij [de minderjarige] is sprake van een ontwikkelingsachterstand op het gebied van spraak en taal, en er wordt onderzocht of ook sprake is van een trauma. [de minderjarige] heeft volgens de betrokken hulpverlening baat bij rust, stabiliteit, veiligheid en structuur. De rechtbank is van oordeel dat omgang tussen de vader en [de minderjarige] hieraan niet zal bijdragen. Daarnaast is de rechtbank, gelet op het belaste verleden van de ouders, van oordeel dat van de moeder niet verwacht kan worden dat zij meewerkt aan een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] . Uit het verslag van de GGZ blijkt dat de moeder door de onderhavige procedure weer extra alert is, angstiger is en slechter slaapt. Hierdoor is de EMDR behandeling van de moeder gepauzeerd. Daar komt nog bij dat de vader pas recent uit detentie is en zijn leven weer aan het opbouwen is. Op de zitting heeft de vader aangegeven dat hij geen vaste woonruimte heeft, en het is de rechtbank onvoldoende duidelijk geworden in hoeverre de vader een eventuele omgangsregeling met [de minderjarige] in de gegeven omstandigheden veilig en bestendig zou kunnen laten verlopen. Dit acht de rechtbank niet in het belang van [de minderjarige] . De rechtbank is met de Raad van oordeel dat het belang van de moeder en [de minderjarige] bij het hebben van rust op dit moment zwaarder weegt dan het belang van [de minderjarige] bij het leren kennen van haar vader en het belang van de vader om omgang te hebben met haar. De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige] dat de moeder – als enige verzorgster van de nog jonge [de minderjarige] – overeind blijft. [de minderjarige] is volledig afhankelijk van haar moeder, en het is van belang dat moeder rust en stabiliteit uitstraalt, zodat [de minderjarige] toekomt aan haar eigen ontwikkelingstaken. De rechtbank begrijpt dat dit moeilijk is voor de vader, die graag omgang wil met [de minderjarige] , maar ziet in de gegeven omstandigheden geen andere mogelijkheden.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat omgang met de vader niet in het belang is van [de minderjarige] en zelfs ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van haar. De rechtbank zal het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling daarom afwijzen. De rechtbank merkt daarbij op dat elke afwijzing van een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling van tijdelijke aard is, in die zin dat de ouder wiens verzoek is afgewezen zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden om een omgangsregeling te doen vaststellen.
Tot slot is namens de vader naar voren gebracht dat, indien de rechtbank geen mogelijkheden ziet voor het vaststellen van (begeleide) omgang, een raadsonderzoek moet worden gelast. De rechtbank ziet daartoe op dit moment geen aanleiding. De rechtbank acht het van belang dat de ouders eerst passende hulpverlening ontvangen. Op de zitting is gebleken dat de vader weliswaar praktische ondersteuning ontvangt vanuit de Kessler Stichting, maar dat geen sprake is van verdere hulpverlening of behandeling. De rechtbank doet tot slot nogmaals, zoals op de zitting ook al is gedaan, een dringend beroep op de vader om er de komende tijd alles aan te doen om ervoor te zorgen dat hij in de toekomst een betrouwbare en voorspelbare vader voor [de minderjarige] kan zijn. De rechtbank geeft de vader dan ook nadrukkelijk in overweging mee om hiervoor hulpverlening in te schakelen.
Proceskosten
Omdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
wijst af het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Wien als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 5 december 2025.