Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen omdat Spanje verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling van de aanvraag op grond van het Dublin-verdrag.
Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met een gerelateerde zaak op 25 november 2025, waarbij verzoeker en zijn advocaat niet aanwezig waren. De minister werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
De voorzieningenrechter oordeelde dat nu de bodemzaak (zaaknummer NL25.54589) is afgerond, een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is en wees het verzoek af. Wel veroordeelde de voorzieningenrechter de minister tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 907,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De uitspraak werd gedaan op 3 december 2025 door voorzieningenrechter M. Eversteijn in aanwezigheid van griffier M.A.W.M. Engels. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.