ECLI:NL:RBDHA:2025:25946

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
NL25.42386
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van een Afghaanse eiser van de Hazara-bevolkingsgroep, beroep gegrond verklaard

Deze uitspraak betreft de afwijzing van de asielaanvraag van een eiser van Afghaanse nationaliteit, die behoort tot de Hazara-bevolkingsgroep. De rechtbank heeft op 17 december 2025 geoordeeld dat de afwijzing van de asielaanvraag door de minister van Asiel en Migratie niet in stand kan blijven. Eiser had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar deze was door de minister afgewezen op 28 augustus 2025. De minister had de asielmotieven van eiser geloofwaardig geacht, maar stelde dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade had aangetoond. De rechtbank oordeelde echter dat de minister onvoldoende inzichtelijk had gemaakt waarom eiser geen gegronde vrees voor vervolging had. De rechtbank benadrukte dat de verschillende persoonlijke omstandigheden van eiser, zoals zijn hoge functie bij de politie en zijn etniciteit, in samenhang moesten worden gewogen. De rechtbank concludeerde dat de minister niet had aangetoond dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan niet te vrezen had voor de Taliban, ondanks de amnestieregeling die door de Taliban was afgekondigd. De rechtbank heeft de minister opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser, waarbij rekening moet worden gehouden met deze uitspraak. Eiser krijgt tevens een vergoeding van zijn proceskosten.

Uitspraak

uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.42386
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E.P.A. Zwart),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 20001. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom eiser geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade aannemelijk heeft gemaakt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Afghaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1968. De minister heeft met het bestreden besluit van 28 augustus 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2. De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Ben Mohammed als tolk en de gemachtigde van de minister.
1. Vreemdelingenwet 2000.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag kort samengevat het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en behoort tot de Hazara-bevolkingsgroep. Eiser heeft als [functie] voor de voormalige Afghaanse autoriteiten gewerkt en is tijdens zijn werk slachtoffer geworden van meerdere aanslagen. Eiser had een hoge functie bij de politie, als [functie] . Toen de Taliban de macht in [plaats 1] op 15 augustus 2021 overnam, is eiser ondergedoken. Die dag is zijn woning ook binnen gevallen door de Taliban. Iets meer dan twee maanden na de machtsovername heeft eiser Afghanistan verlaten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
De Hazara-etniciteit van eiser;
De werkzaamheden van eiser als [functie] voor de voormalige Afghaanse autoriteiten en de daaruit voortvloeiende problemen.
5. Alle asielmotieven van eiser zijn geloofwaardig geacht. De minister heeft de asielaanvraag van eiser echter afgewezen, omdat eiser met de geloofwaardige asielmotieven geen gegronde vrees voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM2 aannemelijk heeft gemaakt. Reden hiervoor is – kort gezegd – dat sinds de machtsovername op 15 augustus 2021, de de facto regering van de Taliban een amnestieregeling heeft afgekondigd voor ambtenaren, met inbegrip van veiligheidsdiensten. Hoewel er incidenten zijn geweest waarbij medewerkers van het vorige regime zijn aangevallen door de Taliban, volgt uit het Algemeen Ambtsbericht van Afghanistan van juni 2023 dat het aantal geregistreerde incidenten, afgezet tegen het aantal ambtenaren, erg laag is. De omstandigheden in Afghanistan zijn inmiddels dusdanig veranderd dat het daardoor niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer nog te vrezen zal hebben voor de Taliban. De minister stelt zich verder op het standpunt dat het niet aannemelijk is dat de voorkomende problemen op eiser als persoon waren gericht, maar vanwege de functie van eiser zijn uitgevoerd. Ter zitting is verduidelijkt dat de minister hierbij doelt op de driegbrief, de aanslagen en de woninginval. Hierdoor is volgens de minister niet voldaan aan het individualiseringsvereiste. Er zijn geen aanwijzingen dat de Taliban eiser bij terugkeer naar Afghanistan zal vervolgen en er zijn eveneens geen aanwijzingen dat eiser bij hen in de negatieve belangstelling staat.
De beroepsgronden van eiser
6. De meest verstrekkende beroepsgrond van eiser is dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een gegronde vrees voor vervolging heeft danwel een reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser heeft in dit kader gewezen op de combinatie van zijn hoge functie bij de politie, zijn Hazara-etniciteit, zijn Sjiitische geloof, op de in het verleden meegemaakte problemen die door de minister geloofwaardig zijn bevonden, op zijn langdurig verblijf in
2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Nederland en op algemene landeninformatie. Hierbij heeft hij ook verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 20 november 20243, waarin landeninformatie uit verschillende bronnen is betrokken.
Het oordeel van de rechtbank
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom eiser geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
7.1. Het algemeen ambtsbericht over Afghanistan van juni 2023, pagina’s 68-72, geeft onder andere het volgende weer:

Het risico dat mensen lopen is een combinatie van hun eigen profiel, lokale omstandigheden en interactie met mensen in het verleden. Er kan sprake zijn van het vereffenen van persoonlijke rekeningen en van tribale en etnische dynamiek. (…) Verder zou associatie met een vreemde mogendheid als excuus of aanleiding gebruikt kunnen worden om een persoonlijke rekening te vereffenen. Willekeur en persoonlijke wraakacties komen geregeld voor.
Positie UNHCR ten aanzien van vluchtelingen en asielzoekers uit Afghanistan
De laatste officiële positie van UNHCR ten aanzien van vluchtelingen en asielzoekers uit Afghanistan dateert van februari 2023. Daarin wordt onder andere benadrukt dat burgers in Afghanistan ernstig getroffen blijven door de veiligheids-, mensenrechten- en humanitaire crises in het land. De de facto autoriteiten van de Taliban zouden zich schuldig hebben gemaakt aan ernstige mensenrechtenschendingen, waaronder buitengerechtelijke executies, willekeurige arrestatie en detentie, foltering en andere vormen van mishandeling. (…) De UNHCR blijft alle landen oproepen om burgers die Afghanistan ontvluchten toegang tot hun grondgebied te verlenen, het recht op asiel te garanderen en te allen tijde het beginsel van non-refoulement te doen naleven. (…)
Naast de situatie van vrouwen en meisjes zijn er nog mensen met andere profielen die een grotere behoefte aan bescherming als vluchteling hebben dan vóór de gebeurtenissen van 15 augustus 2021:
  • Afghanen die banden hebben met de voormalige regering of met de internationale gemeenschap in Afghanistan, waaronder voormalig ambassadepersoneel en medewerkers van internationale organisaties;
  • voormalige leden van de Afghaanse nationale veiligheidstroepen en Afghanen die banden hebben met de voormalige internationale strijdkrachten in Afghanistan;
(...)
leden van religieuze minderheden en leden van etnische minderheden, waaronder Hazara's; (…)
Algemeen: positie van personen die voor de voormalige overheid werkten
In augustus 2021 vaardigden de Taliban een algemene amnestie uit voor medewerkers en veiligheidstroepen van de Ghani-regering. De amnestie werd herhaaldelijk geschonden. Vergeldingsacties vonden niet op dezelfde schaal plaats als onder het Taliban regime in 2001. Desondanks wordt gemeld dat er Taliban actoren actief op zoek gingen naar medewerkers van de voormalige regering. Er werden oud-medewerkers geïntimideerd,

3.ECLI:NL:RVS:2024:4649.

vervolgd, vastgezet, gemarteld of gedood of deze werden het slachtoffer van gedwongen verdwijning of vergeldingsacties. Ook tijdens de verslagperiode ging de vervolging van oud-medewerkers van de Ghani-regering door volgens de VN speciale rapporteur. Volgens een bron konden oud-medewerkers er nooit zeker van zijn dat zij niet op een bepaald moment het slachtoffer zouden worden van een actie van de Taliban, en konden zich dus nooit veilig voelen.
Tussen 15 augustus 2021 en 15 juni 2022 registreerde UNAMA 160 buitengerechtelijke executies (waaronder 10 vrouwen), 178 arbitraire arrestaties en detenties, 23 incommunicado detenties en 56 gevallen van marteling en mishandeling tegen voormalige ANDSF en voormalige ambtenaren. Deze werden volgens UNAMA uitgevoerd door de lokale de facto autoriteiten en vonden plaats in bijna alle delen van Afghanistan.
(…)
Database en opsporing
Na hun overwinning verkregen de Taliban toegang tot talloze databases van de regering onder de Islamitische Republiek, zie ook paragraaf 1.2.9. Hierdoor konden ze gemakkelijk (personeels)bestanden van de voormalige regering benutten om mensen op te sporen, te arresteren of te executeren. (…)
Mate van vervolging
Tijdens de verslagperiode verschilde de mate, frequentie en heftigheid van de vervolging per provincie en al naar gelang de lokale dynamiek. De methoden die in [plaats 1] werden gebruikt, konden verschillen van die in andere gebieden. De mate van controle van het Taliban bestuur op haar strijders bij het handhaven van de amnestie was niet duidelijk. Lokale commandanten waren moeilijk te controleren door de leiders in [plaats 1] . Daarbij zou het ook kunnen voorkomen dat bepaalde voorvallen eerder voortkwamen uit het vereffenen van oude rekeningen of persoonlijke vetes (buiten het zicht van het leiderschap) dan uit een systematisch beleid. Ook etnische of tribale dynamieken of persoonlijke vetes en rivaliteit konden een rol spelen. Sommige (tribale) groepen verbonden zich ofwel met de Taliban ofwel met de voormalige regering. Soms waren er verbintenissen met tegen over elkaar staande partijen binnen een enkele stam of familie.
De Taliban zouden zich bij de vervolging meer richten op medewerkers van de veiligheidstroepen (zowel lage, midden en hogere ) dan op civiele medewerkers. De Taliban zouden wel een nauwere definitie van ‘civiel’ hebben dan in het humanitair recht. Zo zouden zij ministers, hogere ambtenaren en personen die non-combat posities bekleedden in het leger, als niet-civiel beschouwen. Volgens experts hing de behandeling (en eventuele vervolging) van de voormalige ambtenaren af van de positie die ze hadden.
(...)
Er was een grote mate van willekeur en bovendien kon sprake zijn van individuele acties en van de vereffening van oude rekeningen of persoonlijke vetes.472 Volgens een vertrouwelijke bron bestond er grote onzekerheid en onveiligheid. Geweldsincidenten vonden plaats in een juridisch vacuüm zonder rechtsbescherming. Elke individuele situatie was weer anders.
Volgens een bron geldt dat hoe verder een gebied van [plaats 1] verwijderd is, hoe meer deze zaken door elkaar heen lopen. Vele voormalige veiligheidstroepen werden aangehouden en verhoord in gebieden als [plaats 2] en [plaats 3] , waar de gewapende oppositie het sterkst was.474 Volgens bronnen hangt het risico dat iemand loopt vooral af van de lokale Taliban-actoren. Als zij wraak willen, om wat voor reden dan ook, is deze persoon niet veilig. Er is een grote mate van willekeur als het gaat om represailles tegen individuen.”
7.2.
Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat voormalig medewerkers van de overheid, ondanks de algemene amnestie, doelwit kunnen zijn van de Taliban. Factoren die daarbij een rol kunnen spelen zijn onder andere etniciteit en de voormalig beklede functie.
7.3.
De rechtbank overweegt dat de minister de problemen die volgen uit de werkzaamheden van eiser als [functie] voor de voormalige Afghaanse autoriteiten geloofwaardig acht. Verder is niet in geschil dat eiser behoort tot de bevolkingsgroep Hazara en dat hij Sjiitisch is.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd dat niet is voldaan aan het individualiseringsvereiste, gelet op de problemen die voortvloeien uit zijn voormalig werk als [functie] in Afghanistan.
9. De rechtbank overweegt allereerst dat de minister weliswaar de verschillende elementen uit het asielrelaas heeft betrokken in de beoordeling, maar dat deze niet in onderlinge samenhang zijn bezien. De minister heeft niet kenbaar alle persoonlijke omstandigheden van eiser
in samenhangmeegewogen, zoals ter zitting ook is erkend. Over de hoge functie bij de politie is in het bestreden besluit slechts overwogen dat dit in het voornemen niet is weersproken. Dit klopt in zoverre dat het voornemen hier niet op in is gegaan. Echter, hieruit blijkt niet dat de hoge functie van eiser bij de politie in Afghanistan kenbaar is meegewogen in het bestreden besluit. Ook de etniciteit van eiser is niet kenbaar meegewogen in samenhang met de andere persoonlijke factoren. Dit terwijl uit de hiervoor weergegeven landeninformatie kan worden afgeleid dat etniciteit en de specifieke (hoge) functie van iemand relevante factoren kunnen zijn voor de mate waarin ze gevaar lopen. Verder heeft de minister ten aanzien van de verwestering van eiser gesteld dat dit enkele feit onvoldoende is om te concluderen dat eiser een reëel risico op ernstige schade loopt. Dit miskent echter dat de verwestering in samenhang moet worden gezien met de andere persoonlijke omstandigheden van eiser die hiervoor zijn benoemd, zoals ook volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024.4 Het betoog van de minister ter zitting, dat de verschillende persoonlijke omstandigheden niet ‘optellen’ tot een groter risico, wordt dus niet gevolgd.
10. Daarnaast overweegt de rechtbank dat eiser in het verleden veelvuldig in de negatieve aandacht van de Taliban heeft gestaan. Hierbij gaat het om de dreigbrief die aan eiser is gestuurd, een bomaanslag op de auto van eiser, meerdere aanslagen die op eiser zijn gepleegd tijdens de uitoefening van zijn beroep en de inval in zijn woning tijdens de machtsovername van de Taliban. Niet is in te zien dat de dreigbrief van de Taliban, gericht aan eiser als persoon en waarin ook wordt benoemd dat eiser Hazara is, niet (ook) op eiser als persoon ziet.
11. Het primaire standpunt van de minister, dat niet zou zijn voldaan aan het individualiseringsvereiste, volgt de rechtbank daarom niet. De verschillende persoonlijke omstandigheden moeten in samenhang worden gewogen, waarbij ook gewicht moet worden toegekend aan hetgeen eiser in het verleden is overkomen. De minister heeft dit niet kenbaar gedaan in het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee sprake van een motiveringsgebrek.

4.ECLI:NL:RVS:2024:4649.

11.1.
Omdat de minister onvoldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom eiser geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade aannemelijk heeft gemaakt, dient de minister hierover een nieuwe beoordeling te maken. Het standpunt van de minister dat de omstandigheden in Afghanistan inmiddels dusdanig zijn veranderd, gelet op de amnestieregeling, dat het daardoor niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer nog te vrezen zal hebben voor de Taliban wordt, gelet op het voorgaande, niet gevolgd.
12. Hierbij merkt de rechtbank verder op dat in de cijfers van UNAMA over de geregistreerde gevallen van ernstige vormen van geweld jegens ambtenaren van het vorige regime blijkt dat 26 procent van de geregistreerde gevallen bij [functie] plaatsvonden.5 Verder blijkt uit het UNAMA rapport dat: “
Between 15 August 2021 and 30 June 2023, former Afghan [functie] were at greatest risk of experiencing human rights violations, followed by police (both Afghan National Police and Afghan Local Police) and National Directorate of Security officials.”6 Verder verwijst het Algemeen Ambtsbericht over Afghanistan van juni 2023 erop dat volgens het UNAMA er in januari 2023 een toename is te zien van schendingen van de amnestie.7
12.1.
Mocht de minister de amnestieregeling willen gebruiken om het door eiser gestelde risico bij terugkeer niet aan te nemen, dan kan niet enkel worden uitgegaan van het aantal geregistreerde gevallen van ernstige vormen van geweld jegens overheidsfunctionarissen van het vorige regime afgezet tegen het geschatte totale aantal ambtenaren. Een nadere duiding van die cijfers is dan van belang, zoveel mogelijk toegespitst op de specifieke omstandigheden van eiser.
Documenten
13. Ten aanzien van de door eiser verkregen documenten heeft de minister ter zitting toegelicht dat aan dit punt geen doorslaggevend belang wordt gehecht, maar dat hier niet uit blijkt dat eiser in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat.
14. De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende aannemelijk uiteen heeft gezet hoe hij aan zijn documenten is gekomen. Hij heeft via een tussenpersoon zijn paspoort geregeld, hij is het paspoort niet zelf op gaan halen. Zijn tussenpersoon heeft het paspoort opgehaald toen de Taliban net aan de macht waren. Omdat er toen veel mensen hun paspoort op kwamen halen, werd niet met zoveel aandacht gekeken aan wie de paspoorten werden afgegeven. Daarbij komt dat dit de ambtenaren waren die ook al onder het vorige regime werkte. Voor zover de minister in het nadeel van eiser tegenwerpt dat hij een paspoort heeft kunnen krijgen, kan dit met de huidige onderbouwing van eiser, die niet ongeloofwaardig is bevonden, geen standhouden.
15. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.
5 United Nations Assistance Mission in Afghanistan, ‘
A barrier to securing peace: HR violations against former government officials & former armed force members’ augustus 2023, pagina 5.
6 Idem. Pagina 6.
7 Algemeen Ambtsbericht over Afghanistan van juni 2023, pagina 73.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is gegrond omdat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet geen mogelijkheden voor finale geschilbeslechting en zal de minister opdragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op de asielaanvraag van eiser te nemen. De minister zal in dat besluit eenduidig en inzichtelijk moeten motiveren of de geloofwaardig geachte problemen van eiser een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade aannemelijk maakt. De minister dient in deze beoordeling alle persoonlijke omstandigheden van eiser in samenhang te beoordelen, met inachtneming van de landeninformatie.
16.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
16.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 28 augustus 2025;
  • draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
17 december 2025
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.