In deze zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie, omdat deze niet tijdig een besluit heeft genomen op de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank had eerder, op 2 april 2025, bepaald dat de minister binnen acht weken na de uitspraak een besluit moest nemen. Indien de minister besloot tot nader onderzoek, diende dit binnen twintig weken na de uitspraak bekendgemaakt te worden. Eiser stelt dat de minister deze termijnen heeft overschreden, waardoor hij in zijn rechten is aangetast.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister inderdaad niet binnen de gestelde termijn een besluit heeft genomen. Hierdoor is het beroep van eiser gegrond verklaard. De rechtbank heeft de minister een termijn van twee weken gegeven om alsnog een besluit te nemen. Tevens is er een dwangsom van € 250,- per dag opgelegd voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-. Eiser heeft recht op vergoeding van de proceskosten, die zijn vastgesteld op € 453,50, omdat hij juridische bijstand heeft ingeschakeld.
De uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf en is openbaar gemaakt op 30 december 2025. Eiser kan binnen zes weken na verzending van de uitspraak een verzetschrift indienen als hij het niet eens is met de uitspraak. De rechtbank heeft de minister opgedragen om binnen de gestelde termijn een besluit op de aanvraag bekend te maken, en heeft de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser.