ECLI:NL:RBDHA:2025:25955

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
NL24.37377 en NL24.37378
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.6b VbArt. 3.6 VbArt. 3.6a VbArt. 7:3 AwbArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsdocument op grond van het Terugtrekkingsakkoord wegens te late indiening

Eiseres, een Britse staatsburger, diende op 16 januari 2024 een aanvraag in voor een verblijfsdocument op grond van het Terugtrekkingsakkoord, bedoeld voor Britse staatsburgers die vóór 1 januari 2021 in Nederland woonden. De minister wees deze aanvraag op 19 maart 2024 af wegens te late indiening zonder verschoonbare reden. Het bezwaar van eiseres werd op 9 september 2024 eveneens ongegrond verklaard.

Eiseres stelde in beroep dat de minister ambtshalve een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro had moeten verlenen vanwege haar privéleven in Nederland, maar zij had in bezwaar geen beroep op dit artikel gedaan. De rechtbank oordeelde dat de minister niet verplicht was tot ambtshalve verlening en dat eiseres onvoldoende omstandigheden had aangevoerd om dit te rechtvaardigen.

Verder voerde eiseres aan dat de minister op grond van de Terugkeerrichtlijn ambtshalve had moeten toetsen op humanitaire gronden, maar de rechtbank stelde vast dat de richtlijn geen verplichting tot verblijf voor schrijnende gevallen bevat. Ook het verzoek om haar te horen in bezwaar werd afgewezen omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de afwijzing van de aanvraag en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.37377 (beroep)
NL24.37378 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedag 1] 2000, van Britse nationaliteit eiseres/verzoekster, hierna te noemen: eiseres
(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg)
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. E.S.M. van Mourik)

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag van 16 januari 2024 om een verblijfsdocument overeenkomstig het Terugtrekkingsakkoord [1] en haar verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Met het besluit van 19 maart 2024 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag afgewezen.
1.2.
Met het besluit van 9 september 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard en is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt haar uitzetting te verbieden tot op het beroep is beslist.
1.4.
De rechtbank heeft de zaken op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
2. Eiseres is geboren op [geboortedag 1] 2000 en heeft de Britse nationaliteit. Eiseres heeft (in ieder geval) tussen 11 augustus 2015 en 21 februari 2017 en tussen 13 december 2017 en 25 maart 2019 in Nederland gewoond. Hierna is eiseres geregistreerd als niet-ingezetene. Eiseres stelt zelf dat zij in december 2019 uit Nederland is vertrokken.
2.1.
Eiseres beoogt verblijf in Nederland op grond van het Terugtrekkingsakkoord voor Brits staatsburgers die vóór 1 januari 2021 in Nederland woonden. Eiseres heeft daartoe op 16 januari 2024 een aanvraag ingediend strekkende tot verlening van een verblijfsdocument. [2] Ook haar zusje [persoon 1] , geboren op [geboortedag 2] 2006, heeft op diezelfde datum een aanvraag ingediend.
Het bestreden besluit
3. Met het bestreden besluit heeft de minister de aanvraag van eiseres (en haar zusje) afgewezen, omdat deze te laat is ingediend. Er is niet gebleken van een verschoonbare reden voor de te late indiening van de aanvraag. Als hier wel sprake van zou zijn geweest, zou dit haar niet baten, omdat zij niet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning op grond van het Terugtrekkingsakkoord voldoet en dus niet in aanmerking komt voor een zelfstandig verblijfsrecht. Ook komt zij niet in aanmerking voor een afgeleid verblijfsrecht bij haar zus [persoon 2] , die in Nederland woont. Tot slot is er geen aanleiding om op basis van artikel 8 van Pro het EVRM [3] een verblijfsvergunning aan eiseres te verlenen. Tussen eiseres en haar zus [persoon 2] is namelijk geen sprake van familieleven zoals bedoeld in dat artikel en de belangenafweging valt in het nadeel van eiseres uit. Het besluit geldt ook als terugkeerbesluit.
Beoordeling door de rechtbank
Omvang van het geding
4. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen gronden heeft gericht tegen het standpunt van de minister dat zij haar aanvraag te laat heeft ingediend en dat dit niet verschoonbaar is. Gelet hierop is niet in geschil dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsdocument op basis van het Terugtrekkingsakkoord.
4.1.
Verder stelt de rechtbank vast dat eiseres geen gronden heeft gericht tegen het standpunt van de minister dat geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen eiseres en haar zus [persoon 3] . Ook dit is dus niet in geschil.
Ambtshalve verlening van verblijf op grond van artikel 8 van Pro het EVRM
5. Eiseres heeft aangevoerd dat sprake is van te respecteren privéleven, opgebouwd tijdens langdurig verblijf tijdens de vormende jaren in Nederland. Het had op de weg van de minister gelegen om ambtshalve over te gaan tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM, of te motiveren waarom hiertoe niet wordt overgegaan.
5.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb [4] kan, onverminderd de artikelen 3.6 en 3.6a, de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ambtshalve worden verleend aan de vreemdeling wiens uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van Pro het EVRM (hierna: de doortoetsbevoegdheid).
5.2.
Uit rechtspraak van de Afdeling [5] volgt dat uit artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb volgt dat de minister de bevoegdheid en niet de plicht heeft om de vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM te verlenen. Wanneer de vreemdeling een impliciet of een expliciet beroep doet op artikel 8 van Pro het EVRM moet de minister deugdelijk motiveren waarom hij wel of niet van die bevoegdheid gebruik maakt.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat eiseres in deze zaak in bezwaar geen impliciet of expliciet beroep op (privéleven zoals bedoeld in) artikel 8 van Pro het EVRM heeft gedaan. Pas in beroep heeft eiseres betoogd dat de minister gehouden was om aan privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM te toetsen, maar niet welke omstandigheden van eiseres daarvoor aanleiding geven. De minister was daarom niet gehouden om te motiveren waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn doortoetsbevoegdheid. Tot slot is de rechtbank niet gebleken op grond waarvan de minister ambtshalve aan eiseres een verblijfsvergunning had dienen te verstrekken. De beroepsgrond slaagt niet.
Unierecht
6. Eiseres heeft verder aangevoerd dat artikel 6, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn [6] een Unierechtelijke grondslag bevat voor een verzoek om toetsing aan het Unierecht. Op grond daarvan is de minister verplicht om bij het opleggen van een terugkeerbesluit ambtshalve te toetsen of er een reden is om over te gaan tot regularisatie, tijdelijk dan wel blijvend. Dat heeft de minister ten onrechte niet gedaan.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Volgens artikel 6, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn kunnen de lidstaten te allen tijde in schrijnende gevallen, om humanitaire of om andere redenen beslissen een onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft een zelfstandige verblijfsvergunning of een andere vorm van toe stemming tot verblijf te geven. In dat geval wordt geen terugkeerbesluit uitgevaardigd. Indien al een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, wordt het ingetrokken of opgeschort voor de duur van de geldigheid van de verblijfsvergunning of andere vorm van toestemming tot legaal verblijf.
6.2.
De Terugkeerrichtlijn en het overige Unierecht bevatten geen bepalingen die het toestaan van verblijf voor een bepaalde groep schrijnende gevallen regelen. Artikel 6, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn erkent (in de eerste volzin) slechts dat de lidstaten de bevoegdheid behouden om op grond van hun nationale recht een verblijfsvergunning te verlenen om humanitaire redenen. In de Terugkeerrichtlijn wordt uitsluitend de terugkeer van illegaal verblijvende derdelanders geregeld [7] . Hieruit volgt dat de beroepsgrond van eiseres niet kan slagen.
Horen in bezwaar
7. Eiseres voert tot slot aan dat de minister haar ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar. Eiseres wijst erop dat zij zelf niet goed in staat is om haar argumenten, feiten en gedachten over te brengen, mede door haar medische problemen en de taalbarrière. Dit maakt dat er sprake was van een zwaarwegend belang om haar persoonlijk te horen.
7.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb [8] kan van horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is sprake wanneer uit het bezwaarschrift zelf meteen duidelijk blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift in samenhang met wat in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van het primaire besluit.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en de minister van horen heeft kunnen afzien. In bezwaar heeft eiseres slechts aangevoerd dat zij tijdens haar verblijf in Nederland Brits staatsburger was en derhalve Unieburger, dat zij het Unieburgerschap onvrijwillig is verloren en dat zij tijdens haar verblijf in Nederland gebruik maakte van haar circulatierecht, wat niet verloren gaat door het onvrijwillig verlies van het Unieburgerschap. Naar het oordeel van de rechtbank is er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk dat deze bezwaargrond niet tot een andersluidend besluit zou leiden. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de afwijzing van haar aanvraag in stand blijft.
9. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen
van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
10. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak NL24.37377:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL24.37378:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, (voorzieningen-)rechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, 2019/C 384 I/01.
2.Overeenkomstig artikel 18 en Pro 19 van het terugtrekkingsakkoord als bedoeld in paragraaf B13/2.1 Vreemdelingencirculaire 2000 (B).
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Vreemdelingenbesluit 2000.
5.Zie de uitspraak van 20 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:187.
6.Richtlijn 2008/115/EG.
7.Zie de uitspraak van Afdeling van 19 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2702.
8.Algemene wet bestuursrecht.