In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, op 30 december 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure. Eiser, vertegenwoordigd door mr. G.J. Dijkman, heeft beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie omdat deze niet tijdig een besluit heeft genomen op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister niet binnen de gestelde termijn van acht weken na de eerdere uitspraak van 10 april 2025 een besluit heeft genomen. Hierdoor is het beroep van eiser gegrond verklaard. De rechtbank heeft de minister een nieuwe beslistermijn van acht weken opgelegd om alsnog een besluit te nemen. Tevens is er een dwangsom van € 250,- per dag opgelegd voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-. Eiser heeft ook recht op vergoeding van de proceskosten, die zijn vastgesteld op € 453,50, en het griffierecht van € 194,- moet door de minister worden vergoed. De uitspraak is openbaar gemaakt op 30 december 2025.