Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder
[de moeder]uit Den Haag (de moeder).
Rechtbank Den Haag
Eiser en de moeder zijn gescheiden ouders met een co-ouderschapsregeling vastgelegd in een ouderschapsplan. De moeder werd vanaf het eerste kwartaal 2023 als aanvrager van de kinderbijslag aangemerkt en ontving de volledige kinderbijslag. Eiser vroeg later kinderbijslag aan en stelde dat hij recht had op de helft vanwege co-ouderschap.
De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende eiser de helft van de kinderbijslag toe over het vierde kwartaal 2023, maar niet over het derde kwartaal 2023 en het eerste kwartaal 2024. De rechtbank oordeelt dat de co-ouderschapsregeling sinds mei 2023 niet meer wordt nageleefd, omdat eiser niet meer bij het gezin woont en de kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder hebben.
Eiser voerde aan dat bijzondere omstandigheden, zoals zijn gezondheid en financiële situatie, reden waren om af te wijken van het beleid. De rechtbank stelt dat deze omstandigheden niet relevant zijn voor de toekenning van kinderbijslag. De Svb heeft terecht de feitelijke situatie als uitgangspunt genomen en het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat de kinderbijslag over het eerste kwartaal 2024 volledig aan de moeder wordt betaald vanwege het niet-naleven van de co-ouderschapsregeling.