ECLI:NL:RBDHA:2025:25968

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
SGR 24/5364
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 AKWArt. 10 BUKBesluit uitvoering kinderbijslagAlgemene KinderbijslagwetBeleidsregel SB1096
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op kinderbijslag bij niet-naleving co-ouderschapsregeling

Eiser en de moeder zijn gescheiden ouders met een co-ouderschapsregeling vastgelegd in een ouderschapsplan. De moeder werd vanaf het eerste kwartaal 2023 als aanvrager van de kinderbijslag aangemerkt en ontving de volledige kinderbijslag. Eiser vroeg later kinderbijslag aan en stelde dat hij recht had op de helft vanwege co-ouderschap.

De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende eiser de helft van de kinderbijslag toe over het vierde kwartaal 2023, maar niet over het derde kwartaal 2023 en het eerste kwartaal 2024. De rechtbank oordeelt dat de co-ouderschapsregeling sinds mei 2023 niet meer wordt nageleefd, omdat eiser niet meer bij het gezin woont en de kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder hebben.

Eiser voerde aan dat bijzondere omstandigheden, zoals zijn gezondheid en financiële situatie, reden waren om af te wijken van het beleid. De rechtbank stelt dat deze omstandigheden niet relevant zijn voor de toekenning van kinderbijslag. De Svb heeft terecht de feitelijke situatie als uitgangspunt genomen en het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat de kinderbijslag over het eerste kwartaal 2024 volledig aan de moeder wordt betaald vanwege het niet-naleven van de co-ouderschapsregeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/5364

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.S. Nizamoeddin)
en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder

(gemachtigde: drs. W. van den Berg).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[de moeder]uit Den Haag (de moeder).

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2023 heeft verweerder de moeder aangemerkt als aanvrager van de kinderbijslag en bepaald dat de kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal van 2023 volledig aan haar wordt betaald.
Eiser heeft op 4 november 2023 kinderbijslag aangevraagd. Met het besluit van 26 januari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser laten weten dat zijn aanvraag is beschouwd als een verzoek om herziening van het besluit van 2 februari 2023 en dat dat verzoek wordt afgewezen.
In het besluit van 6 mei 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser heeft verweerder bepaald dat eiser over het vierde kwartaal van 2023 recht heeft op de helft van de kinderbijslag, maar dat hij over het derde kwartaal van 2023 en over het eerste kwartaal van 2024 geen recht heeft op (de helft van de) kinderbijslag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De moeder heeft schriftelijk gereageerd op het beroepschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 op zitting behandeld. Ter zitting zijn de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder verschenen.

Overwegingen

Inleiding
1.1.
Eiser en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1] , [land] en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats 2] (hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen).
1.2.
In de beschikking van deze rechtbank van 14 oktober 2022 is de echtscheiding tussen eiser en de moeder uitgesproken, onder aanhechting van het door beiden ondertekende ouderschapsplan. In het ouderschapsplan zijn eiser en de moeder overeengekomen dat vanaf het moment dat eiser woonruimte heeft gevonden, eiser en de moeder de zorg over de kinderen gezamenlijk zullen dragen in co-ouderschap.
1.3.
Met een door hen beiden op 5 januari 2023 ondertekend formulier hebben eiser en de moeder verweerder gemeld dat zij ermee akkoord zijn dat de moeder vanaf het eerste kwartaal van 2023 de aanvrager wordt van de kinderbijslag en dat de gehele kinderbijslag aan haar zal worden betaald. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder het besluit van 2 februari 2023 genomen.
1.4.
Op 16 mei 2023 heeft eiser de echtelijke woning verlaten. Op 4 november 2023 heeft eiser kinderbijslag aangevraagd, waarbij hij heeft toegelicht, onder verwijzing naar de beschikking van 14 oktober 2022, dat sprake is van co-ouderschap.
Bestreden besluit
2. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat eiser over het vierde kwartaal van 2023 de helft van de kinderbijslag krijgt omdat in het ouderschapsplan co-ouderschap is afgesproken. Over het derde kwartaal 2023 kan eiser niet de helft van de kinderbijslag krijgen, omdat hij pas in november 2023 kinderbijslag heeft aangevraagd. De kinderbijslag over het derde kwartaal van 2023 was toen al betaald. Over het eerste kwartaal van 2024 heeft eiser geen recht op (de helft van de) kinderbijslag, omdat het ouderschapsplan vanaf november 2023 bestendig, dat wil zeggen meer dan zes maanden, niet meer wordt nageleefd. Sinds mei 2023 woont eiser niet meer bij het gezin. Op werkdagen komt hij nog wel enkele uren de kinderen verzorgen maar van een afwisselend verblijf is sinds mei 2023 geen sprake meer. Vanaf het eerste kwartaal van 2024 gaat verweerder uit van de feitelijke situatie waarin de kinderen grotendeels bij de moeder verblijven.
Standpunten
3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij op grond van artikel 18, vijfde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) recht heeft op de helft van de kinderbijslag over het derde kwartaal van 2023 en het eerste kwartaal van 2024. Eiser heeft namelijk aanvullende
kosten betaald voor de zorg en opvoeding van de kinderen. Daarnaast heeft hij gesteld dat verweerder geen acht heeft geslagen op de bijzondere omstandigheden waarin hij verkeert. Eiser is door de moeder uit de woning gezet vanwege relationele problemen en
mocht nadien niet meer de woning in. Vervolgens was eiser genoodzaakt om dagen te
overnachten in zijn auto, waardoor hij meerdere parkeerboetes van de gemeente Den Haag
ontving. Eiser verbleef daarna vanwege zijn ziekte in een hospice waardoor het niet mogelijk was om het ouderschapsplan na te leven. In deze bijzondere omstandigheden had verweerder aanleiding moeten zien af te wijken van zijn beleid. Het bestreden besluit is ook onredelijk omdat de rechtsgevolgen van het besluit eiser rechtstreeks (financieel) raken. Gezien zijn verslechterde gezondheidssituatie en het feit dat de kinderen financieel afhankelijk van hem zijn, moet de kinderbijslag aan hem toekomen, aldus eiser.
4. De moeder heeft aangevoerd dat zij alle kosten van de kinderen betaalt. De kosten die eiser betaalde betroffen niet de dagelijkse benodigdheden of behoeften van de kinderen, maar betroffen uitjes met de kinderen en cadeautjes. Sinds 2024 is dat ook helemaal gestopt. Eiser heeft daarnaast geen een keer de in het ouderschapsplan opgenomen kinderalimentatie betaald. De moeder was genoodzaakt om hulp te zoeken bij het LBIO. Verder is de in het ouderschapsplan opgenomen zorgregeling niet nageleefd. Op verzoek van de moeder heeft de rechtbank de zorgregeling gewijzigd. Ook de gewijzigde zorgregeling wordt niet door eiser nageleefd.
Het juridisch kader
5.1.
Verzekerden voor de AKW hebben recht op kinderbijslag voor kinderen jonger dan 18 jaar die tot hun huishouden behoren of door hen worden onderhouden. Meestal hebben kinderen twee voor de AKW verzekerde ouders en hebben de twee ouders over dezelfde tijdvakken recht op kinderbijslag voor dezelfde kinderen. Hun rechten op kinderbijslag lopen dan samen. Dit leidt niet tot een dubbele betaling van kinderbijslag. Op grond van de samenloopbepalingen die zijn opgenomen in de AKW en het Besluit uitvoering kinderbijslag (BUK), wordt over hetzelfde tijdvak per kind slechts éénmaal kinderbijslag uitbetaald. Meestal moet de Svb de kinderbijslag volledig uitbetalen aan één van beide ouders. Soms is een gesplitste uitbetaling aan de orde.
5.2.
Wanneer, zoals in dit geval, twee verzekerde ouders geen gezamenlijke huishouding (meer) voeren, is allereerst van belang of het kind al dan niet tot het huishouden van één van de verzekerde ouders behoort. Als het kind behoort tot het huishouden van de ene ouder en niet tot het huishouden van de andere ouder, wordt de kinderbijslag waarop die andere ouder recht heeft, niet uitbetaald. Dat is bepaald in artikel 18, vierde lid, van de AKW. Het komt ook voor dat twee verzekerde ouders geen gezamenlijke huishouding (meer) voeren en het kind niet behoort tot het huishouden van een van beide ouders of juist behoort tot de huishoudens van beide ouders. Dan geldt primair het bepaalde in artikel 18, vijfde lid, van de AKW. Dat luidt, voor zover hier van belang:
“Indien twee of meer personen over eenzelfde tijdvak recht hebben op kinderbijslag voor eenzelfde kind, in andere situaties dan bedoeld in het (…) vierde lid, wordt betaald de kinderbijslag waarop degene recht heeft die de hoogste bijdrage in het onderhoud van dit kind levert. Aan de andere personen wordt geen kinderbijslag uitbetaald.”
5.3.
Voor gevallen waarin een kind behoort tot de huishoudens van twee verzekerde ouders die geen gezamenlijke huishouding voeren, is – op grond van artikel 18, zevende lid, van de AKW – een aanvullende regeling getroffen in artikel 10 van Pro het BUK. Artikel 10, eerste lid, van het BUK luidt:
“Indien twee personen die recht hebben op kinderbijslag voor eenzelfde kind, dit kind op basis van een overeenkomst of rechterlijke beschikking overwegend in gelijke mate verzorgen en onderhouden zonder met elkaar een gemeenschappelijke huishouding te voeren, wordt tenzij in de overeenkomst anders is overeengekomen of in de rechterlijke beschikking anders is bepaald, het recht van één van deze personen op de kinderbijslag gelijk verdeeld uitbetaald aan beide verzekerden en wordt het recht van de andere persoon niet uitbetaald.”
5.4.
In beleidsregel SB1096 heeft de Svb het beleid met betrekking tot kinderbijslagbetaling bij gescheiden huishoudens nader uitgewerkt. Hieruit volgt dat indien er sprake is van een overeenkomst tussen de gescheiden ouders, de Svb uitgaat van de in de overeenkomst opgenomen regeling betreffende de verdeling van de verzorging en het onderhoud. Alleen indien blijkt dat niet-naleving van deze regeling een bestendig karakter heeft (in zijn algemeenheid langer dan zes maanden), dient de feitelijke situatie als richtsnoer voor de uitbetaling. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat deze benadering van de Svb niet onjuist wordt geacht. [1]
Het oordeel van de rechtbank
6.1.
Niet in geschil is dat de in het ouderschapsplan opgenomen co-ouderschapsregeling sinds het vertrek van eiser uit de echtelijke woning nimmer is uitgevoerd. De kinderen hebben sindsdien hun hoofdverblijf bij de moeder. De situatie waar artikel 18, vijfde lid, van de AKW op ziet, doet zich hier daarom niet voor. Dit artikellid heeft namelijk betrekking op de situatie waarin een kind niet behoort tot het huishouden van een van beide ouders of tot de huishoudens van beide ouders. Daarvan is hier geen sprake. Gelet daarop is niet relevant of eiser of de moeder de hoogste bijdrage in het onderhoud van de kinderen levert. De beroepsgrond van eiser hierover slaagt daarom niet.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat de Svb voor het vierde kwartaal van 2023 is uitgegaan van de in het ouderschapsplan opgenomen co-ouderschapsregeling. Op grond daarvan heeft de Svb voor dat kwartaal de helft van de kinderbijslag aan eiser toegekend. Voor het eerste kwartaal van 2024 is de Svb uitgegaan van de feitelijke situatie waarin de co-ouderschapsregeling meer dan zes maanden niet wordt nageleefd en de kinderen hun hoofdverblijf hebben bij de moeder.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat de Svb op goede gronden heeft vastgesteld dat de co-ouderschapsregeling op de peildatum van het eerste kwartaal van 2024 (1 januari 2024) bestendig niet werd nageleefd, zodat eiser over dat kwartaal geen recht heeft op kinderbijslag en de gehele kinderbijslag aan de moeder moet worden betaald.
6.4.
In de omstandigheden van eiser hoefde de Svb geen aanleiding te zien anders te beslissen. De relationele problemen die ertoe hebben geleid dat eiser de echtelijke woning moest verlaten en die (onder meer) ten grondslag hebben gelegen aan het niet uitvoeren van de in het ouderschapsplan afgesproken regeling, zijn niet van belang voor de bepaling welke ouder recht heeft op kinderbijslag. Evenmin is de gezondheidssituatie van eiser relevant. Ook de financiële situatie van eiser doet in dit verband niet ter zake. Dat de kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal van 2024 wordt betaald aan de moeder is alleszins redelijk, nu de kinderen hun hoofdverblijf bij haar hebben en zij daarom de meeste kosten voor de kinderen voor haar rekening moet nemen. Als eiser onvoldoende middelen heeft om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien, zijn daar andere voorzieningen voor. De kinderbijslag is daar niet voor bedoeld.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een veroordeling in de proceskosten is daarom geen aanleiding. Eiser krijgt ook het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Çakir, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie onder andere de uitspraken van de CRvB van 17 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3262, en van 6 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2316.