Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:25981

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
NL24.51371 en NL24.51372
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:30a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 8:72 AwbVreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning kennismigrant wegens niet-marktconform salaris en onvoldoende kwalificaties

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning als kennismigrant in de functie van projectleider bij een Nederlands bedrijf. De aanvraag werd afgewezen omdat het geboden salaris niet marktconform was en eiser niet beschikte over de vereiste kwalificaties. Na bezwaar en een advies van het UWV bleef de afwijzing in stand.

De rechtbank oordeelt dat het standpunt van verweerder over de beheersing van de Nederlandse taal is ingetrokken, wat leidt tot een motiveringsgebrek in het besluit. Hierdoor is het beroep gegrond en wordt het besluit vernietigd. Echter, de rechtbank laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat het salaris niet marktconform is en eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij over de benodigde kwalificaties en vaardigheden beschikt.

Eiser wordt vrijgesteld van griffierecht en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. De uitspraak bevestigt dat het loon en de kwalificaties essentieel zijn voor toelating als kennismigrant en dat een motiveringsgebrek niet automatisch leidt tot toewijzing van de vergunning.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de afwijzing van de verblijfsvergunning blijft in stand vanwege niet-marktconform salaris en onvoldoende kwalificaties.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.51371 (beroep) en NL24.51372 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[eiser], geboren op [geboortedag] 1983 van Turkse nationaliteit, eiser/verzoeker (eiser)
(gemachtigde: mr. A. Harmanci),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/ de voorzieningenrechter (de rechtbank) de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, maar laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de rechtbank uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ in de functie van projectleider/ projectmanager bij [bedrijf] B.V. (referent). Het bruto maandsalaris bedraagt € 4.900,- bruto per maand op basis van een 40-urige werkweek.
2.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 1 juni 2023 afgewezen. Aan deze afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het geboden salaris niet marktconform is. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.2.
Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft verweerder opnieuw advies aan het UWV [1] gevraagd. Het UWV heeft vervolgens advies uitgebracht en geconcludeerd dat niet is aangetoond dat eiser beschikt over de voor de desbetreffende functie vereiste kwalificaties. Ook concludeert het UWV dat het geboden salaris niet marktconform is. Het advies is naar de gemachtigde van eiser verzonden om hem in de gelegenheid te stellen een zienswijze uit te brengen. De gemachtigde heeft geen zienswijze uitgebracht.
2.3.
Met het bestreden besluit van 25 november 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet wordt uitgezet tot op zijn beroep is beslist.
2.4.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op
20 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Eiser was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van het griffierecht
3. Eiser heeft ten aanzien van zowel het beroep als het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening verzocht te worden vrijgesteld van de verplichting tot betaling van het griffierecht vanwege betalingsonmacht. De rechtbank ziet aanleiding om dat verzoek toe te wijzen, zodat hij in deze procedure is vrijgesteld van deze verplichting.
Ten aanzien van het beroep
Het juridisch kader
3.1.
Voor zover hier van belang kan ingevolge artikel 3.30a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) een verblijfsvergunning onder de beperking verblijf als kennismigrant worden verleend, tenzij het tussen de werkgever en de vreemdeling overeengekomen loon naar het oordeel van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet marktconform is. Een advies hieromtrent van de Raad van bestuur van het UWV wordt aangemerkt als een advies van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
3.2.
De rechtbank stelt in dit kader voorop dat het doel van de kennismigrantenregeling is dat werknemers met een extra toegevoegde waarde tot Nederland worden toegelaten. Die extra toegevoegde waarde blijkt mede uit het geboden loon. Als de werkgever het loon te hoog vaststelt om daarmee toelating te bewerkstellingen van arbeidsmigranten die de toegevoegde waarde niet hebben, wordt oneigenlijk gebruikt gemaakt van de regeling. Het UWV toetst of de geboden beloning gebruikelijk is voor de functie, gelet op de taken binnen een functie en de gestelde eisen ten aanzien van de kwalificatie van de vreemdeling. [2]
3.3.
Het UWV-advies is een deskundigenadvies aan verweerder voor de uitoefening van diens bevoegdheden. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [3] , moet verweerder, indien hij een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er ingevolge artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van vergewissen dat dit - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is. Indien verweerder heeft voldaan aan deze op hem rustende vergewisplicht, kan een vreemdeling de uitkomst van een dergelijk advies slechts succesvol bestrijden door overlegging van een andersluidend deskundigenadvies. De rechtbank stelt vast dat een dergelijke advies door eiser is ingebracht. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn beroepschrift naar het onderzoeksrapport van 20 januari 2024 inzake marktconformiteit beloning van arbeidsdeskundige [persoon] .
Marktconform salaris
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat het geboden salaris wel marktconform is. Volgens het rapport van de arbeidsdeskundige [persoon] moet voor de gebruikelijke lonen in dit geval gekeken worden naar functies bij technische installatiebedrijven. De deskundige zoekt hiervoor aansluiting bij de Salarismonitor van de werkgeversvereniging Techniek Nederland. Deze geeft de werkelijk betaalde lonen aan in de sector. Hieruit blijkt dat voor diverse functies boven de lonen volgens de Collectieve Arbeidsovereenkomst (CAO) wordt betaald. De markconformiteit van het salaris moet daarom niet worden beoordeeld aan de hand van de CAO.
4.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de CAO Bouw & Infra van toepassing is en dat deze CAO leidend is voor wat betreft de beoordeling van de marktconformiteit van het aan eiser geboden loon.
4.2.
Op grond van paragraaf B6/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) moet de werkgever aangeven of er een CAO van toepassing is, en zo ja, welke; en inzichtelijk maken dat het loon en andere arbeidsvoorwaarden (inclusief de overige vergoedingen die aan de kennismigrant betaald gaan worden) overeenkomen met de laatst overeengekomen CAO. De rechtbank stelt vast dat eiser bij de aanvraag een arbeidsovereenkomst heeft overgelegd waaruit blijkt dat de CAO Bouw & Infra van toepassing is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond daarvan voor de marktconformiteit van het overeengekomen loon aansluiting heeft mogen zoeken bij wat in deze CAO daarover af is gesproken. Dat de beoogde functie van eiser ingeschaald moet worden in functieladder 1 van functiegroep 5 van de CAO Bouw & Infra, zoals eiser betoogd aan de hand van het rapport van de deskundige [persoon] , volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft er op gewezen dat de werkzaamheden die hierbij horen zien op het leiding geven in het kader van grote projecten in de bouw waarbij leiding wordt gegeven aan meer dan 100 medewerkers, terwijl niet is gebleken dat de werkgever van eiser dergelijke grote projecten aanneemt en uitvoert. Dit is door eiser niet gemotiveerd betwist en de rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan het advies van het UWV. Dat er technische functies zijn in de sector waarvoor boven het loon volgens de CAO wordt betaald, doet aan het voorgaande niet af. De beroepsgrond slaagt niet.
Kwalificaties
5. Eiser voert aan dat hij een aantal stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn werkervaring. Op grond daarvan blijkt dat hij aanzienlijke ervaring heeft in de branche. Hoewel eiser niet letterlijk als leidinggevende heeft gefunctioneerd, beschikt hij vanwege zijn jarenlange werkervaring wel over leidinggevende capaciteiten.
5.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit het Functiehandboek Bouw & Infra blijkt dat voor de vervulling van de functie van projectleider elektrotechniek/ energietechniek een ter zake relevante opleiding op hbo/ wo niveau is vereist. Niet is aangetoond dat eiser over diploma’s en certificaten beschikt die naar Nederlandse maatstaven overeenkomen met een relevante opleiding op hbo/ wo niveau. Uit de getuigschriften die eiser heeft overgelegd blijkt ook niet dat hij over de kennis en vaardigheden beschikt met betrekking tot de werkzaamheden die hij bij de werkgever zal gaan uitvoeren. Evenmin blijkt daaruit dat hij ervaring heeft als leidinggevende.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat uit de kopieën van diploma’s en certificaten die eiser heeft overgelegd niet blijkt dat hij een relevante opleiding op hbo/ wo niveau heeft gevolgd. Dit wordt ook niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat hij ook met de overige door hem overgelegde stukken niet heeft onderbouwd dat hij over de kennis en vaardigheden beschikt om de bij de desbetreffende functie behorende werkzaamheden uit te kunnen voeren. Bovendien is niet aannemelijk gemaakt dat eiser kennis heeft van, of ervaring heeft met, leidinggeven. Weliswaar bevinden zich verschillende getuigschriften in het dossier, maar deze getuigschriften zien op de functie van voorman en elektricien. Volgens eisers cv heeft hij voornamelijk werkervaring als elektricien. Eiser heeft zelf aangegeven dat het de bedoeling is dat hij in zijn functie als projectleider elektrotechniek/energietechniek leiding gaat geven aan onderaannemers en zzp’ers. Het is aan eiser om te onderbouwen en aannemelijk te maken dat hij over de hiervoor noodzakelijke kennis en vaardigheden beschikt. Dat heeft hij onvoldoende gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Beheersing van de Nederlandse taal
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft tegen geworpen dat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst om de functie van projectleider elektrotechniek/energietechniek te kunnen uitoefenen. Verweerder heeft op de zitting het standpunt dat beheersing van de Nederlandse taal een vereiste is voor de functie van projectleider ingetrokken. De rechtbank stelt vast dat dit leidt tot een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, zodat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank ziet echter aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten, nu de aanvraag ook zonder dit onderdeel van de motivering niet aan de voorwaarden voldoet: het geboden salaris is niet markconform en het is niet aannemelijk dat eiser beschikt over de vereiste kwalificaties en vaardigheden. Omdat het beroep gegrond is, bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Maar de rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat de afwijzing van eisers aanvraag voor een verblijfsvergunning in stand blijft.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL24.51371:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL24.51372:
- wijst het verzoek af.
De rechtbank/ voorzieningenrechter, in alle zaken:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.721,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
mr.C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:258.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:575.