ECLI:NL:RBDHA:2025:25991

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
23/2999
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke procedure omgevingsvergunning voor winkel en woning in Den Haag

In deze zaak heeft eiser, wonende in Den Haag, beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, dat op 25 augustus 2022 een omgevingsvergunning voor het verkleinen van een winkel en het vergroten van een woning heeft geweigerd. Eiser had op 20 april 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd, maar het college bleef bij de weigering na het bestreden besluit van 1 mei 2023. De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2025 behandeld, waarbij zowel eiser als de gemachtigden van eiser en het college aanwezig waren. In een tussenuitspraak van 8 mei 2025 heeft de rechtbank het college de kans gegeven om het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Het college heeft echter besloten om de omgevingsvergunning alsnog te verlenen, maar heeft geen herstel van het besluit uitgevoerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten en op basis van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat een nadere zitting niet nodig was.

Eiser heeft de rechtbank op 2 december 2025 geïnformeerd dat de omgevingsvergunning nog niet was verleend en verzocht om een termijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep van eiser gegrond is, gezien de mededeling van het college dat het de omgevingsvergunning zal verlenen. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. Het college is opgedragen om binnen zes weken na de uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser. Tevens is bepaald dat het college het griffierecht van € 184,- en de proceskosten van in totaal € 3.108,- aan eiser moet vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter R.H. Smits en is openbaar uitgesproken op 22 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/2999
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. J. Geelhoed),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. G.P. Tjon-man-Tsoi).

Procesverloop

Bij primair besluit van 25 augustus 2022 heeft het college de op 20 april 2022 gevraagde omgevingsvergunning voor het verkleinen van de winkel en het vergroten van de woning in het pand van eiser, gelegen aan de [adres 1] en dat doorloopt in de [adres 2] in [plaats], geweigerd.
Met het besluit van 1 mei 2023 (bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is het college bij die weigering gebleven.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
In de tussenuitspraak van 8 mei 2025 (tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Het college heeft de rechtbank in de reactie van 21 mei 2025 bericht dat het heeft kennisgenomen van de tussenuitspraak, dat het niet zal overgaan tot het herstellen van het
gebrek, maar dat het de aangevraagde omgevingsvergunning zal gaan verlenen.
De rechtbank heeft op grond van artikel 8:57, tweede lid onder a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft de rechtbank meermaals en voor het laatst op 2 december 2025 bericht dat de omgevingsvergunning nog niet is verleend. Eiser verzoekt de rechtbank een termijn te stellen.
2. Gelet op de overwegingen uit de tussenuitspraak is het beroep van eiser tegen het bestreden besluit gegrond. Gelet op de mededeling van het college in de reactie van 21 mei 2025 dat het de omgevingsvergunning zal gaan verlenen en niet zal overgaan tot het herstellen van het gebrek in het bestreden besluit, zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet gelet daarop ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, zelf in de zaak te voorzien en bepaalt dat het primaire besluit wordt herroepen. De rechtbank draagt het college op grond van artikel 8:72, vierde lid onder b van de Awb op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser van 20 april 2022. De rechtbank verbindt daaraan een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak.
2.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het door eiser betaalde griffierecht van € 184,- vergoeden. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op een bedrag van € 1814,- in beroep (één punt voor het indienen van een beroepschrift en één punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 907,- per punt) en € 1.294,- in bezwaar (één punt voor het indienen van een bezwaarschrift en één punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde van
€ 647,- per punt). In totaal zijn de proceskosten € 3.108,-. Het college moet deze kosten vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 1 mei 2023;
- herroept het primaire besluit van 25 augustus 2022;
- draagt het college op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser;
- bepaalt dat het college de proceskosten van € 3.108,- aan eiser moet vergoeden;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van
mr.Y. Al-Qaq, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.