RNHB B.V., als eerste hypotheekhouder, verzoekt de voorzieningenrechter om toestemming voor de onderhandse verkoop van een woning die in executie is genomen wegens wanbetaling door de eigenaar, [verweerster]. De woning is getaxeerd op een marktwaarde van €1.180.000 en een geschatte executiewaarde van €945.000. Vier biedingen zijn ontvangen, waarvan het hoogste bod €1.105.173 bedroeg.
Tijdens de mondelinge behandeling verzocht [verweerster] om aanhouding van de zitting om zich te laten bijstaan door een advocaat en om een hoger bod te verkrijgen, maar dit verzoek werd afgewezen wegens voldoende verstreken tijd. [Verweerster] stelde dat er twee hogere biedingen waren, waarvan één bod van €1.150.000 onder voorbehoud van financiering en bouwkundige keuring, en een ander bod van €1.110.000 zonder voorbehoud.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het bod van €1.150.000 niet toelaatbaar was vanwege de voorbehouden, maar stond het bod van €1.110.000 toe. Vervolgens werd een nieuwe biedingsronde gehouden waarbij het hoogste bod van €1.121.111 werd uitgebracht door [bieders]. RNHB stemde in met dit bod en vroeg goedkeuring voor de onderhandse verkoop aan deze bieders. De voorzieningenrechter concludeerde dat deze verkoop een hogere opbrengst oplevert dan een openbare veiling en verleende toestemming voor de onderhandse verkoop.