ECLI:NL:RBDHA:2025:26017

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
NL25.59908
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring en zicht op uitzetting in vreemdelingenrechtelijke procedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 18 december 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de maatregel van bewaring van eiser, die op 1 oktober 2025 door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel, waarbij hij ook om schadevergoeding heeft verzocht. De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen zitting nodig was en heeft het onderzoek gesloten op 12 december 2025. De rechtbank overweegt dat de maatregel van bewaring rechtmatig was tot het sluiten van het onderzoek op 8 oktober 2025 en dat de toetsing van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel zich richt op de periode daarna. Eiser stelt dat er geen zicht is op uitzetting, omdat er sinds zijn bewaring geen concrete stappen zijn gezet richting uitzetting naar Marokko. De rechtbank concludeert echter dat er wel degelijk zicht op uitzetting is, ondanks het ontbreken van een paspoort van eiser. De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld en dat er geen aanleiding is om een lichter middel toe te passen. De rechtbank wijst het beroep van eiser ongegrond en wijst ook het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. B.C.M. Burger, griffier.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59908

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. P. Celikkal),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 1 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 12 december 2025.

Overwegingen

Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 14 oktober 2025 (in de zaken NL25.47138, NL25.47895 en NL25.47906) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 8 oktober 2025. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 8 oktober 2025 tot 12 december 2025.
Zicht op uitzetting
3. Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting. Eiser zit sinds 1 oktober 2025 in bewaring en uit de voortgangsrapportage blijkt dat er sinds 1 oktober 2025 geen concrete stappen richting uitzetting zijn gezet. De aanvraag van het laissez-passer (lp) is op 2 oktober 2025 verzonden en op 15 oktober 2025 doorgestuurd naar de Marokkaanse autoriteiten. Daarna zijn enkel drie schriftelijke rappels verzonden, zonder enige inhoudelijke reactie. Er heeft geen presentatie bij de Marokkaanse vertegenwoordiging plaatsgevonden en er zijn geen vluchten aangevraagd of geboekt. Nu er geen sprake is van feitelijke voortgang, ontbreekt zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Tevens is eiser van mening dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar eisers mogelijke toegang tot Spanje. Eiser staat daar ingeschreven, heeft daar huur betaald en verbleef daar voor zijn binnenkomst in Nederland. Eiser voert aan dat zijn paspoort zich in Spanje bevindt en dat hij voor het verkrijgen daarvan afhankelijk is van derden, zodat zicht op verwijdering ontbreekt.
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269, 8 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3033 en 27 januari 2025, ECLI:RVS:2025:219. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat in de periode voorafgaand aan deze uitspraak in het geval van Marokko nationaliteitsbevestigingen hebben plaatsgevonden, lp’s zijn verstrekt en gedwongen vertrekken met een lp hebben plaatsgevonden. Het is de rechtbank voorts ambtshalve bekend dat de Marokkaanse autoriteiten sinds begin juli 2023 niet langer voor alle lp-aanvragen een presentatie in persoon vereisen, maar inmiddels ook op basis van een (aan de hand van vingerafdrukken) vastgestelde identiteit/nationaliteit tot lp-afgifte overgaan.
3.2.
Over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het concrete geval van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. Weliswaar is uitzetting eenvoudiger te realiseren wanneer eiser zou beschikken over zijn paspoort, maar dat betekent niet dat uitzetting zonder paspoort feitelijk onmogelijk is (zoals eiser stelt). Voor eiser is een lp-aanvraag ingediend op 15 oktober 2025. Deze lp-aanvraag is nog in behandeling bij de Marokkaanse autoriteiten. Dat er tot op heden geen (positieve) reactie van de Marokkaanse autoriteiten op de lp-aanvraag is ontvangen, betekent, mede gelet op wat er onder 3.1. is overwogen, niet dat thans in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Met een lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten is in het algemeen de nodige tijd (meerdere maanden) gemoeid, zeker als een vreemdeling, zoals in het geval van eiser, geen enkel document over zijn identiteit en nationaliteit overlegt. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat het lp-traject op niets zal uitlopen en dat er voor hem uiteindelijk geen lp zal worden afgegeven. Dat eiser in Spanje staat ingeschreven en daar huurt betaalt, heeft hij niet onderbouwd. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat op eiser een vertrekplicht naar Marokko rust en niet naar Spanje.
3.3.
De beroepsgrond dat er geen zicht op uitzetting is, slaagt gezien het voorgaande niet.
Voortvarend handelen
4. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting, omdat verweerder na de uitspraak van 14 oktober 2025 geen aanvullende stappen heeft gezet richting verwijdering.
4.1.
Uit de voortgangsrapportage volgt dat verweerder in de te beoordelen periode – die loopt van 8 oktober tot 12 december 2025 op 16 oktober 2025, 6 november 2025 en 27 november 2025 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten in verband met de op 15 oktober 2025 ingediende lp-aanvraag. Verder blijkt uit het dossier dat verweerder op 27 oktober 2025 en 25 november 2025 vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd. Nu verweerder drie- à vierwekelijks rappelleert en tweemaal vertrekgesprekken heeft gevoerd, heeft verweerder in de te beoordelen periode naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend gewerkt aan eisers uitzetting naar Marokko. Het is verder volgens vaste rechtspraak aan de regievoerder om te bepalen welke uitzettingshandelingen noodzakelijk zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder meer of andere uitzettingshandelingen had dienen te verrichten.
4.2.
De beroepsgrond dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt, slaagt gezien het voorgaande niet.
Lichter middel / belangenafweging
5. Eiser voert verder aan dat er geen onderzoek is gedaan naar de mogelijkheid om een lichter middel toe te passen na het vertrekgesprek van 25 november 2025 waarin eiser aangeeft dat hij een adres in Leiden heeft en een vriendin heeft in Amsterdam die voor hem garant wil staan. Eiser is bereid tot voorwaarden zoals een meldplicht of borgsom. Door het niet onderzoeken van deze mogelijkheden heeft verweerder het subsidiariteitsbeginsel geschonden. Daarnaast voert eiser aan de belangenafweging en de verzwaarde belangenafweging in het voortgangsrapportage ontbreken. Bewaring is volgens eiser disproportioneel omdat hij meewerkt aan alle gesprekken, zich coöperatief opstelt en geen gevaar voor de openbare orde vormt.
5.1.
De huidige bewaringsmaatregel is opgelegd op 1 oktober 2025, wat betekent dat eiser ongeveer tweeëneenhalve maand in bewaring zit. Volgens vaste rechtspraak komt gedurende de eerste zes maanden van de bewaring in beginsel meer gewicht toe aan de belangen van verweerder bij de voortduring van de bewaring dan aan de belangen van de vreemdeling bij zijn invrijheidstelling. Niettemin kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zesmaandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van verweerder. Van zulke omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank in eisers geval niet gebleken. Daarvoor verwijst de rechtbank allereerst naar haar motivering hierover in de uitspraak van 15 oktober 2025. Hierin is geoordeeld dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom niet is overgegaan tot toepassing van een lichter middel en dat verweerder terecht heeft afgezien van de toepassing daarvan. Hetgeen eiser nu betoogt in het kader van eisers verblijfplaats en de garantstelling van een vriendin leiden niet tot een ander oordeel. Deze stellingen zijn niet onderbouwd.
5.2.
Voor zover eiser heeft bedoeld te betogen dat een verzwaarde belangenafweging moet worden gemaakt, merkt de rechtbank op dat nu de bewaring nog geen zes maanden duurt een verzwaarde belangenafweging nog niet aan de orde is. Eiser heeft evenmin bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die maken dat de voortduring van de maatregel disproportioneel moet worden geacht. Daarbij wijst de rechtbank erop dat eiser weliswaar meewerkt aan de vertrekgesprekken, maar daarin heeft verklaard niet naar Marokko terug te willen en dat uit de gespreksverslagen ook blijkt dat eiser zelf geen stappen heeft gezet om zijn terugkeer naar Marokko te realiseren. De beroepsgrond dat in de te toetsen periode alsnog een lichter middel moest worden toegepast slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 6 augustus 2025 tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Er is ook niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering (zoals bedoeld in het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.