ECLI:NL:RBDHA:2025:26024

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
09/192458-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewezenverklaring poging tot doodslag met verwerping van noodweer(exces) en veroordeling tot gevangenisstraf

Op 24 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van poging tot doodslag. De zaak betreft een schietincident dat plaatsvond op 19 juni 2025 in Zoetermeer, waarbij de verdachte met een vuurwapen op de aangever heeft geschoten en hem meerdere keren heeft geslagen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte de aangever met opzet heeft beschoten, wat leidt tot de bewezenverklaring van poging tot doodslag. De rechtbank verwierp het beroep op noodweer(exces) van de verdachte, omdat er onvoldoende bewijs was dat de verdachte zich moest verdedigen tegen een onmiddellijke, wederrechtelijke aanranding. De rechtbank oordeelde dat de verdachte de agressor was en dat zijn handelen niet gerechtvaardigd was. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Daarnaast werd de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, waarbij de verdachte werd verplicht om een schadevergoeding te betalen van € 13.190,-, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/192458-25
Datum uitspraak: 24 december 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting Dordrecht.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 7 oktober 2025 (pro forma) en 18 december 2025 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.G.M. Oostrom en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. G.S.J. van Gestel naar voren is gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [de aangever] en van de nadere toelichting daarop van mr. A.J. Korff, waarnemend voor mr. M.P. de Klerk.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 19 juni 2025 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [de aangever] van het leven te beroven, immers heeft verdachte
- met een (vuur)wapen meerdere, althans één kogel(s) en/of patronen op en/of in de richting van [de aangever] afgevuurd/geschoten, waardoor [de aangever] meerdere malen, althans eenmaal, in zijn hoofd althans in zijn lichaam is geraakt, en/of
- ( vervolgens) een of meerdere keren met een (vuur)wapen tegen het gezicht/hoofd, althans het lichaam van die [de aangever] te slaan/duwen;
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 19 juni 2025 te Zoetermeer aan een ander, te weten [de aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere schotwonden in het hoofd, althans het lichaam heeft toegebracht, door met een (vuur)wapen meerdere, althans één kogel(s) en/of patronen op en/of in de richting van [de aangever] af te vuren en/of te schieten, waardoor [de aangever] meerdere malen, althans eenmaal, in zijn hoofd althans in zijn lichaam is geraakt.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit, te weten poging tot moord, en tot bewezenverklaring van het primair impliciet subsidiair ten laste gelegde feit, te weten poging tot doodslag.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte integrale vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Op zijn specifieke standpunten wordt – voor zover relevant – hierna nader ingegaan.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
Op 19 juni 2025 kwam er een melding bij de politie binnen dat er een schietincident had plaatsgevonden in de [straatnaam] in Zoetermeer. Nadat de politie ter plaatse was gekomen, troffen zij daar de aangever [de aangever] (hierna: de aangever) aan met verwondingen op zijn hoofd en in zijn gezicht. In het ziekenhuis bleek hij een schotwond onder zijn oog, een schotwond in zijn achterhoofd, diverse breuken in zijn gezicht en een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies te hebben.
De aangever heeft bij de politie, op de dag van het incident en een paar dagen later in een aanvullende verklaring, verklaard dat hij op 19 juni 2025 naar de woning van zijn ex-vriendin was gegaan om zijn kinderen te bezoeken. Bij de woning kwam de verdachte, op dat moment de vriend van de ex-vriendin van aangever, naar buiten en begon ruzie te zoeken met de aangever. De verdachte heeft vervolgens de kinderen naar binnen gestuurd, waarna hij de aangever een paar keer beschoten heeft met een vuurwapen en hem vervolgens met dit vuurwapen op zijn hoofd heeft geslagen. De verdachte is daarna weggerend.
De verdachte heeft in zijn eerste politieverhoor een korte verklaring gegeven. Hij heeft toen verklaard dat de aangever hem bij de woning zou hebben aangevallen, dat er een wapen was en dat deze is afgegaan. De verdachte heeft zich in latere verhoren steeds op zijn zwijgrecht beroepen. Op de terechtzitting van 18 december 2025 is de verdachte met een meer uitgebreide en concrete verklaring gekomen, waarin hij een andere lezing geeft van het incident dan de aangever. De aangever zou inderdaad naar de woning zijn gekomen, maar de aangever zou degene zijn geweest die het vuurwapen had meegenomen. De verdachte heeft verklaard dat de aangever met een rare boze blik keek en iets achter zijn rug hield en handschoenen aanhad. De aangever werd steeds agressiever, waardoor de verdachte de kinderen naar binnen stuurde. Toen de deur dicht ging, trok de aangever iets zwarts achter zijn rug – wat een vuurwapen bleek te zijn – waarna er een worsteling ontstond, waarbij de aangever het vuurwapen op de verdachte richtte. De verdachte heeft geprobeerd het wapen af te wenden met als gevolg dat het wapen afging en de aangever is geraakt. De verdachte heeft hierna het wapen afgepakt en gericht op de aangever. Toen de aangever vervolgens naar voren naar de verdachte dook, heeft de verdachte met het vuurwapen geschoten en is de aangever voor een tweede keer geraakt. Hierna heeft de verdachte de aangever een paar keer met het vuurwapen geslagen. Toen de verdachte besefte wat hij had gedaan, is hij weggerend.
Alternatief scenario
De verdachte is pas op de terechtzitting van 18 december 2025 met een uitgebreide verklaring gekomen over de toedracht van het schietincident. Dit maakt het mogelijk dat de verdachte zijn verklaring op de inhoud van het dossier heeft afgestemd. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte van begin af aan geen volledige openheid van zaken heeft gegeven en pas later met een meer concrete verklaring is gekomen, waarbij hij de aangever aanwijst als degene die het wapen bij zich had en die hem daarmee wilde aanvallen. Als de gang van zaken geweest zou zijn zoals de verdachte nu verklaart, dan had het naar het oordeel van de rechtbank voor de hand hebben gelegen dat de verdachte de kern van zijn zienswijze op de toedracht gelijk bij de politie zou hebben verteld. De verdachte heeft dit echter tot aan de inhoudelijke behandeling van de zaak niet gedaan.
Uit de getuigenverklaringen ontstaat het beeld – anders dan de verdachte heeft verklaard – dat de verdachte de agressor was en hij de aangever aanviel. Volgens de getuige [getuige 1] was het de verdachte die boos werd toen de aangever aan de deur kwam en zou de aangever steeds rustig zijn gebleven. De verdachte heeft de aangever daarna tegen de container gedrukt. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verklaren ook dat zij allebei een paar knallen hoorde en dat deze schoten snel achter elkaar kwamen. Dit komt overeen met de verklaring van de getuige [getuige 3] , die heeft verklaard dat zij – hoewel zij het geluid van schoten niet herkende – halverwege de trap stond toen zij twee keer een geluid hoorde. Deze verklaringen rijmen niet met de lezing van de verdachte. Hij heeft ter terechtzitting immers verklaard dat er vijf tot tien seconden tussen het eerste en tweede schot zat, hetgeen niet als “snel achter elkaar” kan worden beschouwd. De getuigenverklaringen ondersteunen daarmee eerder de verklaring van de aangever.
De rechtbank ziet ook andere contra-indicaties voor het scenario van de verdachte. Zij merkt op dat de verdachte na het incident is gevlucht en zich pas enkele (vijf) dagen later heeft gemeld bij de politie. Verder is er geen vuurwapen aangetroffen op de plaats delict, terwijl de politie op die plek een uitgebreid sporenonderzoek heeft gedaan. Deze omstandigheden passen eerder bij het scenario dat de verdachte de agressor was en het wapen bij zich had en weer heeft meegenomen op zijn vlucht, dan dat de aangever het wapen bij zich had, zoals de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het door de verdachte geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk geworden en verwerpt dit scenario. Dit betekent dat de rechtbank uitgaat van de verklaring van de aangever dat het de verdachte is geweest die het wapen bij zich droeg, dit wapen heeft getrokken en vervolgens twee keer op de aangever heeft geschoten waarbij de kogels in het hoofd van de aangever terecht zijn gekomen. Gelet op de verklaring van aangever over de toedracht en de verklaring van de getuige [getuige 1] , zijn die schoten naar het oordeel van de rechtbank van dichtbij gelost. De verdachte heeft vervolgens met het vuurwapen meermaals op het hoofd van de aangever geslagen.
Vrijspraak poging tot moord
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het handelen van de verdachte kan worden gekwalificeerd als een poging tot moord. De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat dit primair ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend is bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij. Het dossier en hetgeen ter terechtzitting is verhandeld, bieden onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de verdachte de aangever heeft beschoten met voorbedachten raad.
Poging tot doodslag
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het handelen van de verdachte
moet worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag. Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te komen, moet kunnen worden bewezen dat de verdachte opzet op de dood van de aangever heeft gehad, al dan niet in voorwaardelijke zin. Van voorwaardelijk opzet op de dood is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever als gevolg van zijn handelen zou kunnen komen te overlijden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de kans op de dood van de aangever niet aanmerkelijk was, omdat het vuurwapen niet geschikt was om dodelijk letsel mee toe te brengen en er het bij de verdachte toegebrachte letsel niet levensbedreigend is gebleken. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte met een vuurwapen twee keer van dichtbij in het hoofd van de aangever heeft geschoten. Gelet op de baan van de kogels zoals aangetroffen in het hoofd van de aangever, moet er ook van worden uitgegaan dat de verdachte in de richting van het hoofd heeft geschoten (en niet bijvoorbeeld naar beneden of in de lucht). Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar onderdeel van het lichaam is waarin zich de hersenen bevinden. Dat in dit geval sprake was van een vuurwapen met een gladde en te ruime loop waardoor de kogels minder hard werden afgeschoten of minder diep konden doordringen, doet niet af het feit dat in de gegeven omstandigheden dodelijk letsel bij de aangever had kunnen ontstaan. Het forensisch geneeskundig rapport stelt immers ook dat de gebruikte munitie in combinatie met het wapen de weke delen tot tenminste tien centimeter of de schedel had kunnen penetreren. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de kans dat de verdachte de aangever dodelijk had kunnen raken aanmerkelijk was. Niet het daadwerkelijke letsel is bepalend voor de bewezenverklaring maar de aanmerkelijke kans op de dood door het handelen van de verdachte.
De gedragingen van de verdachte – het van dichtbij in de richting van het hoofd van de aangever twee keer schieten met een vuurwapen – kunnen tevens naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van contra-indicaties is niet gebleken. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de aangever. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het primair impliciet subsidiair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 19 juni 2025 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [de aangever] van het leven te beroven,
- met een vuurwapen meerdere kogels en patronen op en/of in de richting van [de aangever]
heeftafgevuurd/geschoten, waardoor [de aangever] meerdere malen in zijn hoofd is geraakt, en
- vervolgens een of meerdere keren met een vuurwapen tegen het gezicht/hoofd van die [de aangever]
heeft geslagenterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde en de strafbaarheid van de verdachte
4.1
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu hem een geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich heeft moeten verdedigen tegen het geweld van de aangever.
4.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die een beroep op noodweer(exces) doen slagen.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Noodweer
Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.4 is overwogen met betrekking tot het alternatieve scenario van de verdachte, acht de rechtbank de door de verdediging gegeven feiten en omstandigheden, die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde zouden uitsluiten, niet aannemelijk geworden. Een beroep op noodweer kan daarom niet slagen, omdat de verdachte de bewezenverklaarde gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarbij voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zichzelf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.
Het verweer wordt verworpen en het bewezenverklaarde is daarmee volgens de wet strafbaar.
Noodweerexces
Nu de feiten en omstandigheden die door de verdediging naar voren zijn gebracht niet aannemelijk zijn geworden en er geen sprake is van een noodweersituatie, is de rechtbank van oordeel dat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt.
Het verweer wordt verworpen en de verdachte is strafbaar.

5.De strafoplegging

5.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
5.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat – indien de rechtbank de verweren verwerpt – de verdachte dient te worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van hooguit vier tot vijf jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door met een vuurwapen tweemaal te schieten op het slachtoffer [de aangever] , waarbij de kogels in het hoofd van de aangever terecht zijn gekomen. Daarna ging de verdachte door met het plegen van geweld en heeft hij het slachtoffer meermaals op zijn hoofd geslagen met het vuurwapen. Met deze geweldsexplosie heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft een aantal dagen in het ziekenhuis gelegen en heeft het incident gelukkig overleefd. Het is echter goed voorstelbaar dat het voor het slachtoffer ook slechter had kunnen aflopen en dat hij deze aanval had moeten bekopen met de dood. Dat het letsel redelijk beperkt is gebleven, is toeval.
De rechtbank ziet ook dat er sprake is van een langlopend conflict tussen de verdachte en het slachtoffer, maar dit kan nooit een reden zijn om over te gaan tot het plegen van potentieel dodelijk geweld. Daarnaast vond het schietincident plaats op klaarlichte dag buiten in de voortuin en waren meerdere mensen getuige van het incident en waren er bovendien jonge kinderen in de woning waar de verdachte verbleef. Dergelijk geweld draagt bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De verdachte heeft op geen enkele manier rekening gehouden met het effect van zijn gedrag op die kinderen, de kinderen van zijn ex en het slachtoffer. Hij had kennelijk last van hun vader en heeft die vader daarom beschoten.
De verdachte is na het incident gevlucht en heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden of spijt betuigd. De rechtbank kent hieraan zwaarwegende betekenis toe bij de bepaling van de straf die zij zal opleggen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 18 november 2025, waaruit volgt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren is veroordeeld voor strafbare feiten maar niet voor een soortgelijk feit.
Op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, passend en geboden. Daarmee wijkt de rechtbank af van de eis van de officier van justitie, omdat die eis naar het oordeel van de rechtbank hoger is dan de straf die doorgaans in vergelijkbare zaken wordt opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

6.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[de aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 120.412,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 100.575,- aan materiële schade en € 19.837,- aan immateriële schade.
6.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van de materiële schade geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, voor zover het de posten ‘ziekenhuisdaggeldvergoeding’ en ‘eigen risico’ betreft. De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de post ‘verlies van arbeidsvermogen’. De officier van justitie heeft ten aanzien van de immateriële schade geconcludeerd tot toewijzing, maar heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de hoogte van de toewijzing. Het totaal toe te wijzen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de gevorderde materiële schade de post ‘eigen risico’ dient te worden afgewezen en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de post ‘ziekenhuisdaggeldvergoeding’. De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de post ‘verlies van arbeidsvermogen’. De raadsman heeft zich ten aanzien van de gevorderde immateriële schade op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van blijvende littekens en dat er geen causaal verband is met betrekking tot het oogletsel, zodat dat deel van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De vordering van de benadeelde partij
Materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘ziekenhuisdaggeldvergoeding’, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘eigen risico’, is namens de verdachte gemotiveerd betwist en in dit licht namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Nu niet kan worden vastgesteld of deze kosten zijn gemaakt naar aanleiding van het bewezenverklaarde feit, zal de rechtbank dit deel van de vordering afwijzen.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘verlies van arbeidsvermogen’, is namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd, terwijl namens de verdachte geen standpunt ingenomen is. In dit licht en nu niet op voorhand zonder meer onaannemelijk is dat mogelijk sprake is van verlies aan arbeidsvermogen, terwijl verdere onderbouwing een onevenredige belasting van het strafgeding zou betekenen, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van vordering. De benadeelde partij dient de vordering voor dit deel bij de burgerlijke rechter aan te brengen.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 13.000,-. De rechtbank neemt vergelijkbare gevallen in de rechtspraak bij schietincidenten en de zogenoemde Rotterdamse schaal in aanmerking, waarbij zij is uitgegaan van meerdere breuken van botten in het gezicht en beperkte littekenvorming. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat uit niets blijkt dat sprake is van blijvende klachten en beperkingen bij het slachtoffer als gevolg van het geweld. Zij zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 13.190,-, bestaande uit € 190,- aan materiële schade en € 13.000,- aan immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 19 juni 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 13.190,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 juni 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair (poging tot moord) ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
poging tot doodslag;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (ZES) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
de vordering van de benadeelde partij;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 13.190,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 19 juni 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [de aangever] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van de post ‘eigen risico’ en de overige gevorderde immateriële schade af;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding wegens een onevenredige belasting van het strafgeding en dat hij voor dit deel zijn vordering bij de burgerlijke rechter dient aan te brengen;
de schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van
€ 13.190,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 juni 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 100 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.P. Verbeek, voorzitter,
mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, rechter,
mr. J.A. Kramer, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. C.W.I. Ostendorf, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 december 2025.
Mr. J.A. Kramer is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.