ECLI:NL:RBDHA:2025:26027

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
C/09/694481 / KG ZA 25-1116
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overdracht van strafrechtelijke sancties aan België in het kader van de terugkeergarantie en Kaderbesluit 2008/909

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 17 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen [eiseres], een Belgische onderdaan, en de Staat der Nederlanden. [Eiseres] is in België aangehouden op basis van een Europees Arrestatiebevel en heeft een gevangenisstraf van 15 jaar en tbs met dwangverpleging opgelegd gekregen door het gerechtshof Den Bosch. De Belgische autoriteiten hebben aangegeven dat het niet mogelijk is om beide sancties te erkennen, wat leidt tot een juridisch geschil over de overdracht van de sancties aan België. [Eiseres] vordert dat de Staat verplicht wordt om de gevangenisstraf of de tbs-maatregel onmiddellijk aan België over te dragen, terwijl de Staat zich verzet tegen deze vordering. De voorzieningenrechter oordeelt dat de Staat niet onrechtmatig handelt door de overdracht van de sancties uit te stellen, aangezien er nog overleg gaande is tussen de Nederlandse en Belgische autoriteiten. De vorderingen van [eiseres] worden afgewezen, en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel - voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/09/694481 / KG ZA 25-1116
Vonnis in kort geding van 17 december 2025
in de zaak van
[eiseres]te [plaats] (P.I.),
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. A.C.M. van Dijk,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
te Den Haag,
gedaagde,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. C.M. Bitter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 25 november 2025, met producties;
- de productie van de Staat.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 december 2025. De advocaten van partijen hebben ter zitting het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd, en partijen hebben over en weer hun standpunten toegelicht en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eiseres] heeft de Belgische nationaliteit. Zij is op 13 juli 2017 in België aangehouden op grond van een door Nederland uitgevaardigd Europees Arrestatiebevel. België heeft aan de overlevering van [eiseres] de voorwaarde van een terugkeergarantie verbonden, zodat zij haar straf in België kan uitzitten. De Staat heeft de terugkeergarantie op 18 juli 2017 afgegeven.
2.2.
Bij arrest van het gerechtshof Den Bosch van 31 maart 2021 is [eiseres]
veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 jaar voor gekwalificeerde doodslag. Daarnaast heeft het hof aan [eiseres] de maatregel van tbs met dwangverpleging opgelegd. Dit arrest (hierna: het arrest) is op 16 november 2021 onherroepelijk geworden.
2.3.
Op de einddatum van de gevangenisstraf gaat de tbs-maatregel lopen. De einddatum van de gevangenisstraf is in beginsel 24 april 2032.
2.4.
Op 21 juni 2022 is [eiseres] door de Nederlandse overheid ongewenst verklaard. Dit maakt dat zij niet in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling.
2.5.
Op 17 november 2022 hebben de Nederlandse autoriteiten onder verwijzing naar de ongewenstverklaring van [eiseres] en met het oog op de erkenning en overdracht van de tenuitvoerlegging van het arrest aan België een certificaat als bedoeld in artikel 4 van Kaderbesluit 2008/909 [1] (hierna: het Kaderbesluit 2008/909) uitgevaardigd.
2.6.
Bij brief van 4 januari 2023 hebben de Belgische autoriteiten aan de Nederlandse autoriteiten meegedeeld dat het onmogelijk is om beide aan [eiseres] opgelegde sancties te erkennen, omdat België, anders dan Nederland, geen systeem van gemengde strafrechtelijke verantwoordelijkheid kent. In de brief hebben de Belgische autoriteiten de Nederlandse autoriteiten verzocht om mee te delen of het certificaat wordt gehandhaafd, en zo ja, of zij ermee akkoord gaan dat enkel de gevangenisstraf wordt erkend. In aanvulling hierop hebben de Belgische autoriteiten de Nederlandse autoriteiten bij brief van 17 april 2023 meegedeeld dat Nederland zal moeten kiezen tussen het vragen aan België van de erkenning van de gevangenisstraf, dan wel de erkenning van de tbs-maatregel.
2.7.
Op 16 juni 2023 heeft de Staat ambtshalve een gratieverzoek ingediend ten behoeve van [eiseres] . De reden van dit gratieverzoek was de kwijtschelding van de resterende gevangenisstraf, waardoor het mogelijk zou zijn om enkel de tbs-maatregel aan België over te dragen. Dit gratieverzoek is op 19 april 2024 afgewezen.
2.8.
In de brief van 19 april 2024 waarin het CJIB de afwijzing van het gratieverzoek aan [eiseres] heeft meegedeeld wordt verwezen naar de afwijzende adviezen van het Openbaar Ministerie (OM) en het gerechtshof. De brief vermeldt dat het OM het standpunt heeft ingenomen dat het, gelet op de in het arrest gegeven onderbouwing, niet inziet dat het inroepen van de terugkeergarantie tegen de achtergrond van het Kaderbesluit 2008/909 en daarbij constatering dat tenuitvoerlegging in België zal plaatsvinden door of de straf of de tbs-maatregel ten uitvoer te leggen, het gerechtshof aanleiding zou hebben gegeven tot het opleggen van een andere straf of maatregel. Het gerechtshof heeft het oordeel van het OM overgenomen en geoordeeld dat er geen termen zijn voor het verlenen van gratie.
2.9.
Bij e-mail van 25 februari 2025 hebben de Nederlandse autoriteiten op grond van artikel 10 van het Kaderbesluit 2008/909 aan de Belgische autoriteiten voorgesteld om over te gaan tot gedeeltelijke erkenning van het arrest, namelijk voor de overdracht van de tbs-maatregel op het moment dat [eiseres] de gevangenis in Nederland kan verlaten.
2.10.
Bij e-mail van 4 juni 2025 hebben de Belgische autoriteiten aan de Nederlandse autoriteiten verzocht om het eerder ingenomen standpunt te heroverwegen en om alsnog over te gaan tot onmiddellijke uitvoering van de terugkeergarantie. In deze e-mail schrijven de Belgische autoriteiten dat zij de gevangenisstraf van 15 jaar naar Belgisch recht kunnen erkennen en dat er een procedure bestaat om, als betrokkene ontoerekeningsvatbaar is en een gevaar voor de maatschappij vormt, het normale uitvoeringsregime om te zetten in
een internering voor onbepaalde duur.
2.11.
Bij e-mail van 9 juli 2025 hebben de Nederlandse autoriteiten aan de Belgische autoriteiten geantwoord dat zij geen aanleiding zien om het standpunt te heroverwegen, omdat het voorstel van de Belgische autoriteten tot gevolg zou kunnen hebben dat een deel van de opgelegde sancties geheel of gedeeltelijk niet ten uitvoer wordt gelegd.
2.12.
Bij e-mail van 28 juli 2025 hebben de Belgische autoriteiten aan de Nederlandse autoriteiten meegedeeld dat zij zich intern zullen beraden over het standpunt van de Nederlandse autoriteiten.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
primair:
de Staat te verplichten de gevangenisstraf dan wel de tbs-maatregel onmiddellijk
aan België over te dragen, zodat België deze sanctie ten uitvoer kan leggen;
subsidiair:
dat de Staat wordt verplicht de Belgische autoriteiten te verzoeken het strafvonnis te erkennen en ten uitvoer te leggen, door een voor België aanvaardbaar en binnen de het wettelijke systeem te aanvaarden verzoek in te dienen, door
- enkel de gevangenisstraf over te dragen, of
- enkel de tbs-maatregel over te dragen, en hiermee niet te wachten tot [eiseres] haar (volledige) gevangenisstraf in Nederland heeft ondergaan;
een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
3.2.
[eiseres] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag.
Op grond van de terugkeergarantie en het Kaderbesluit 2008/909 is de Staat verplicht om de straf van [eiseres] zo snel mogelijk, of in ieder geval binnen een redelijke termijn, over te dragen aan België. Op grond van het Kaderbesluit 2008/909 en het Kaderbesluit 2002/584 [2] dat gaat over de terugkeergarantie, moeten onderdanen van de Europese Unie hun sancties in beginsel ondergaan in de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn, dit ter bevordering van hun maatschappelijke integratie. Het is onrechtmatig indien de Staat met die overdracht wacht totdat [eiseres] voor strafonderbreking in aanmerking komt.
De Staat is gehouden om de straf van [eiseres] met gebruikmaking van de instrumenten van het Kaderbesluit aan te passen, zodat de straf alsnog op korte termijn aan België kan worden overgedragen. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat indien het in België wel mogelijk was om zowel de gevangenisstraf als de tbs-maatregel ten uitvoer te leggen, [eiseres] al na een derde van de gevangenisstraf voor tenuitvoerlegging van de tbs-maatregel in aanmerking zou zijn gekomen.
Iedere dag dat [eiseres] in Nederlandse detentie verblijft, duurt de onrechtmatige situatie voort. [eiseres] heeft daarom een spoedeisend belang bij haar vordering.
3.3.
De Staat voert verweer. De Staat concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen is in geschil of de Staat onder de huidige omstandigheden verplicht is om de straf van [eiseres] onmiddellijk over te dragen aan België. Vaststaat dat het naar Belgisch recht voor de Belgische autoriteiten niet mogelijk is om zowel de gevangenisstraf als de tbs-maatregel te erkennen. Beoordeeld moet worden of de Staat onder die omstandigheden verplicht is om te kiezen voor de overdracht van slechts één van de twee opgelegde sancties. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter handelt de Staat niet onrechtmatig door in de huidige omstandigheden met die overdracht te wachten. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
4.2.
Bij de beoordeling staat voorop dat de Staat verplicht is om onherroepelijke strafrechtelijke beslissingen ten uitvoer te leggen. De Staat mag niet naar eigen inzicht wijzigingen aanbrengen in de beslissing van de strafrechter. Slechts in door de wet gegeven uitzonderingsgevallen kan de tenuitvoerlegging geheel of gedeeltelijk achterwege blijven. Aangezien het ambtshalve ten behoeve van [eiseres] ingediende gratieverzoek is afgewezen, is de Staat vooralsnog verplicht om beide sancties ten uitvoer te leggen. Niet is gebleken dat één van de in de wet opgenomen uitzonderingsgevallen van toepassing is.
4.3.
Op grond van het Kaderbesluit 2008/909 is het uitgangspunt dat lidstaten van de Europese Unie elkaars onherroepelijke strafrechtelijke uitspraken erkennen en dat zij de daarin opgelegde vrijheidsbenemende sancties ten uitvoer leggen. De Staat heeft overeenkomstig artikel 4 van het Kaderbesluit 2008/909 het voor de overdracht van de straf van [eiseres] aan België benodigde certificaat uitgevaardigd. Het feit dat erkenning van beide sancties naar Belgisch recht niet mogelijk is, betekent dat volledige erkenning van het arrest niet mogelijk is. Dit maakt dat de Belgische autoriteiten kunnen besluiten om het arrest niet te erkennen, dan wel dat zij kunnen overwegen om het arrest gedeeltelijk te erkennen. Indien gedeeltelijke erkenning wordt overwogen, kunnen de beslissingsstaat (hier Nederland) en de uitvoerende staat (hier België) op de voet van artikel 10 van het Kaderbesluit 2008/909 overleg voeren over de voorwaarden voor gedeeltelijke erkenning en tenuitvoerlegging van de sanctie. De executieplicht en het uitgangspunt van (volledige) erkenning van strafrechtelijke beslissingen, maakt dat van de Staat niet, in ieder geval niet zonder meer, kan worden verlangd dat hij slechts één van de beide sancties overdraagt, zoals onder 4.2. al toegelicht.
4.4.
[eiseres] heeft betoogd dat het niet de bedoeling van het arrest kan zijn geweest dat zij pas na verloop van vijftien jaar of mogelijk tien jaar van de gevangenisstraf aan de tbs-maatregel kan beginnen, omdat het gerechtshof bij de strafoplegging rekening heeft gehouden of had moeten houden met de terugkeergarantie Aan deze stelling van [eiseres] gaat de voorzieningenrechter voorbij, aangezien dit niet volgt uit het door het gerechtshof in het kader van het gratieverzoek gegeven advies. Immers, indien de stelling van [eiseres] zou kloppen, dan had het gerechtshof positief beslist op het gratieverzoek dat er op was gericht de resterende straf van [eiseres] kwijt te schelden, zodat zij vervolgens de tbs-maatregel in België zou kunnen ondergaan.
4.5.
[eiseres] heeft er ook nog op gewezen dat in België de gevangenisstraf van een veroordeelde, ten tijde van het uitzitten van de straf kan worden omgezet in een interneringsmaatregel. Dit brengt volgens [eiseres] mee dat de Staat enkel haar gevangenisstraf kan overdragen aan België. Op basis van de Belgische interneringswet kan immers haar gevangenisstraf in België worden omgezet in een interneringsmaatregel. Beide sancties zouden dan ten uitvoer worden gelegd. Ook hierin volgt de voorzieningenrechter [eiseres] niet. In de door haar beschreven situatie wordt niet voldaan aan de Nederlandse executieplicht. Het is immers afhankelijk van alsdan nog te nemen beslissingen of in België een interneringsmaatregel wordt opgelegd. Dat de Staat onrechtmatig handelt door een voorstel van België hiertoe niet te accepteren, is dan ook niet aannemelijk.
4.6.
De voorzieningenrechter begrijpt dat het overleg tussen de Nederlandse en de Belgische autoriteiten als bedoeld in artikel 10 van het Kaderbesluit 2008/909 nog gaande is. De laatste stand van zaken is dat de Belgische autoriteiten zich intern beraden over het voorstel van de Nederlandse autoriteiten om over te gaan tot een gedeeltelijke erkenning (zie onder 2.9. en 2.12.) Zoals hiervoor is overwogen handelt de Staat niet onrechtmatig door zich bij dit overleg op het standpunt te stellen dat hij er niet toe kan worden verplicht om slechts één sanctie over te dragen. De Staat heeft toegezegd het overleg met de Belgische autoriteiten voort te zetten. De Staat heeft daarnaast voldoende aannemelijk gemaakt dat het op dit moment op de weg van de Belgische autoriteiten ligt om een reactie te geven op de e-mail van 9 juli 2025. Zolang er geen nieuw voorstel is van de Belgische autoriteiten, valt niet in te zien dat de Staat in dit opzicht onrechtmatig handelt. In dit verband is van belang dat de Staat onweersproken heeft gesteld dat hij de Belgische autoriteiten recent nog aan de e-mail van 28 juli 2025 heeft herinnerd.
4.7.
De door Nederland aan België in het kader van de overlevering verstrekte terugkeergarantie maakt het voorgaande niet anders. Op zichzelf is het juist dat de doelstelling van de terugkeergarantie vereist dat een veroordeelde zo snel mogelijk nadat de beslissing tot oplegging van de sanctie onherroepelijk is geworden, wordt teruggezonden naar de tenuitvoerleggingsstaat. Dit veronderstelt echter wel dat (volledige) tenuitvoerlegging in de tenuitvoerleggingstaat mogelijk is. Uit niets blijkt dat met de terugkeergarantie afwijking van het beginsel van (volledige) wederzijdse erkenning is beoogd. Anders dan [eiseres] heeft betoogd, kan de Staat op grond van de terugkeergarantie dus niet alsnog worden verplicht om maar één van beide sancties over te dragen. Verder valt ook niet in te zien dat het gerechtshof bij het opleggen van de straf rekening had moeten houden met de mogelijke tenuitvoerlegging in België en dat de Staat daarom zou moeten afzien van tenuitvoerlegging van een deel van de straf. Nu volledige erkenning niet mogelijk is, is het – zoals hiervoor is overwogen – aangewezen dat de Staat met de Belgische autoriteiten, in overeenstemming met het bepaalde in het Kaderbesluit 2008/909, overleg voert over de voorwaarden voor gedeeltelijke erkenning en tenuitvoerlegging. Aangezien dit overleg gaande is, kan niet worden gezegd dat de Staat handelt in strijd met de terugkeergarantie.
4.8.
Anders dan [eiseres] nog heeft betoogd, kan de Staat op grond van de Belgische regeling voor vervroegde voorwaardelijke invrijheidsstelling niet worden verplicht om nu al in te stemmen met de overdracht van enkel de tbs-maatregel. In de eerste plaats is de Belgische regeling niet van toepassing. Verder merkt de voorzieningenrechter op dat de voorwaardelijke invrijheidstelling na een derde van een straf in België geen automatisme is. Deze regeling moet worden aangevraagd en wordt vervolgens beoordeeld door de strafuitvoeringsrechtbank. In dit kort geding kan in ieder geval niet worden vastgesteld dat [eiseres] aan de Belgische criteria voor vervroegde invrijheidstelling voldoet.
4.9.
Indien [eiseres] meent dat zij door het uitblijven van de overdracht van de straf aan België in combinatie met haar persoonlijke omstandigheden voor strafvermindering in aanmerking komt, ligt het op haar weg om een (eigen) gratieverzoek in te dienen.
Slotsom en proceskosten
4.10.
De vorderingen van [eiseres] worden afgewezen. Zij is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.999,00
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af;
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.
WJ

Voetnoten

1.Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie
2.2002/584/JBZ: Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten.