ECLI:NL:RBDHA:2025:26069

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
AWB 24/10044 en AWB 24/10045
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van beroep en verzoek om voorlopige voorziening in vreemdelingenrechtelijke zaak

Op 10 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaken AWB 24/10044 en AWB 24/10045, waarbij het beroep van eiser tegen een terugkeerbesluit en inreisverbod niet-ontvankelijk is verklaard. Eiser had beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie, dat op 12 juni 2021 was genomen. De rechtbank oordeelde dat het beroep te laat was ingediend, aangezien de termijn voor het indienen van een beroepschrift vier weken bedraagt en deze termijn op 13 juni 2021 was begonnen. Eiser had pas op 17 juni 2024 beroep ingesteld, wat ruim na de termijn was. De rechtbank concludeerde dat er geen verschoonbare termijnoverschrijding was en dat het beroep derhalve niet-ontvankelijk was. Dit had ook gevolgen voor het verzoek om een voorlopige voorziening, dat eveneens niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank heeft geen inhoudelijke beoordeling van de zaak gedaan en eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 24/10044 en AWB 24/10045
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van

10 december 2025 in de zaken tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Dorgelo),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over een uitgevaardigd terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaar. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep en de voorlopige voorziening van eiser.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is omdat het beroep te laat is ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep dus niet inhoudelijk. Dit betekent dat het verzoek om een voorlopige voorziening ook niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Met het besluit van 12 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep [1] , op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Zijn het terugkeerbesluit en het inreisverbod rechtsgeldig?
3.1.
Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod niet op de juiste wijze bekend zijn gemaakt waardoor deze besluiten niet rechtsgeldig zijn. Volgens eiser blijkt uit de maatregel van bewaring van 6 november 2023 pas dat aan hem een terugkeerbesluit en een inreisverbod is uitgevaardigd op 12 juni 2021.
3.2.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit het terugkeerbesluit en het inreisverbod blijkt namelijk dat een afschrift daarvan onmiddellijk aan eiser is uitgereikt inclusief de folder inreisverbod in de Portugese taal. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan eisers inbewaringstelling dat aan eiser is gevraagd of hij in Nederland eerder in contact is gekomen met politie en/of justitie en of er toen maatregelen zijn opgelegd aan hem. Op deze vraag heeft eiser geantwoord dat hij een inreisverbod opgelegd heeft gekregen van twee jaar en dat hij Nederland niet heeft verlaten na deze maatregel. De rechtbank is van oordeel dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod op voorgeschreven wijze aan eiser zijn bekendgemaakt en daarom rechtsgeldig zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is het beroep ontvankelijk?
4.1.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift in een zaak als de onderhavige is vier weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vangt deze termijn aan met ingang van de dag na de dag waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen.
4.2.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank er vanuit dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod op de dag van het opstellen ervan, 12 juni 2021, aan eiser zijn uitgereikt. Dit brengt mee dat de beroepstermijn op 13 juni 2021 is gaan lopen en is geëindigd op 10 juli 2021. Eiser heeft op 17 juni 2024, derhalve ruim na afloop van de beroepstermijn te laat beroep ingesteld. Het is de rechtbank niet gebleken van omstandigheden die deze termijnoverschrijding verschoonbaar maken. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Om die reden is ook het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Hij krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart zowel het beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, rechter, in aanwezigheid van
mr.J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaak AWB 24/10045.