ECLI:NL:RBDHA:2025:26072
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft op 8 september 2025 asiel aangevraagd in Nederland. De minister heeft dit verzoek niet in behandeling genomen omdat op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Uit Eurodac-gegevens blijkt dat eiser op 8 oktober 2024 al een verzoek tot internationale bescherming in Duitsland heeft ingediend.
Eiser voerde aan dat een overdracht aan Duitsland zou leiden tot een schending van zijn rechten op grond van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 EVRM Pro vanwege zijn medische en psychische toestand, met name de dreiging van een suïcidepoging. Hij deed een beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening en het arrest C.K. van het Hof van Justitie.
De rechtbank volgde het standpunt van de minister en oordeelde dat de beroepsgrond niet slaagt. De rechtbank verwees naar de motivering in het verweerschrift van 17 november 2025 en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.