ECLI:NL:RBDHA:2025:26073

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
NL25.39270 en NL25.39272
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet in behandeling nemen asielaanvragen Turkse asielzoekers wegens systeemfout Bulgaarse procedure

Eisers, Turkse asielzoekers, dienden op 1 mei 2025 asielaanvragen in Nederland in, die door de minister niet in behandeling werden genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening. Eisers stelden dat de Bulgaarse asielprocedure ernstige en langdurige tekortkomingen vertoont, waaronder slechte opvang, pushbacks, mishandeling en gebrek aan rechtsbijstand, waardoor zij risico lopen op schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro.

De rechtbank overwoog dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel in het algemeen geldt, maar dat voor Turkse asielzoekers sprake is van een systeemfout in de Bulgaarse procedure. Dit volgt uit eerdere uitspraken en recente AIDA-rapporten die wijzen op een zeer laag inwilligingspercentage, detentie en beperkte toegang tot juridische bijstand, mede door een informele overeenkomst tussen Bulgarije en Turkije.

De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende onderzoek en motivering heeft verricht en het besluit daarom in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb. Het beroep is gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard en de minister werd veroordeeld in de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: Het besluit om de asielaanvragen niet in behandeling te nemen is vernietigd en de minister moet een nieuw besluit nemen na nader onderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.39270 (beroep) en NL25.39271 (vovo) en NL25.39272 (beroep) en NL25.39273 (vovo)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer 1] , eiser
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer 2] , eiseres
mede namens haar minderjarige zoon:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2023
tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. M. Drenth)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Mahler).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvragen met het bestreden besluit van 18 augustus 2025 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije ervoor verantwoordelijk is.
1.1
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 28 oktober 2025 op zitting behandeld.
Eisers en hun gemachtigde en de gemachtigde van verweerder waren aanwezig. Verder was als tolk T. Buyukasik aanwezig.
1.2
De rechtbank heeft het onderzoek op zitting geschorst om verweerder desgevraagd de gelegenheid te geven te reageren op de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 oktober 2025 (NL25.28274 en NL25.28275). Partijen hebben een nadere reactie gegeven en ermee ingestemd dat een nadere zitting achterwege blijft
1.3
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en uitspraak bepaald.
1.4
Eisers hebben ook verzoeken om een voorlopige voorziening ingediend. De rechtbank houdt in deze zaken geen zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum 2] 1992. Eiseres is geboren op [geboortedatum 3] 1999. Eisers hebben de Turkse nationaliteit. Op 1 mei 2025 hebben eisers in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eisers niet in behandeling genomen, omdat zij beschikten over een visum voor Bulgarije die ten tijde van hun asielaanvragen in Nederland minder dan zes maanden was verlopen. Bulgarije is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eisers. [2]
Wat vinden eisers in beroep?
3. Eisers voeren aan dat Nederland hun asielaanvraag in behandeling dient te nemen en inhoudelijk dient te beoordelen, nu zij aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van ernstige en langdurige tekortkomingen in de Bulgaarse asielprocedure. Bij terugkeer naar Bulgarije vrezen eisers voor een schending van artikel 3 van Pro het EVRM [3] en artikel 4 van Pro het Handvest [4] . In Bulgarije is de opvang ver onder de maat, vinden er pushbacks plaats en worden vreemdelingen mishandeld dan wel slecht behandeld door de autoriteiten. Daarnaast hebben zij in Bulgarije geen toegang tot rechtsbijstand en vrezen zij in vreemdelingendetentie te belanden dan wel over de grens te worden gezet. Eisers kunnen niet terug naar Turkije omdat zij daar gevaar lopen. Eisers verwijzen naar het meest recente AIDA rapport over Bulgarije en de uitspraak van de zittingsplaats Utrecht van 12 mei 2025 [5] en stellen dat verweerder nader onderzoek had moeten verrichten. Verder beroepen eisers zich op artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Eisers ervaren stress vanwege hun onzekere toekomst, hun angst om zonder eten en zorg op straat te belanden, en hun zorgen over een pushback door de Bulgaarse autoriteiten. Eisers verweren zich tevens tegen het overdrachtsbesluit.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eisers niet in behandeling hoefde te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
5. De rechtbank geeft eisers gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Kan verweerder in het algemeen ten aanzien van Bulgarije uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
6.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eisers aannemelijk maken dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico lopen op een behandeling strijdig met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Hiervoor geldt een hoge drempel van zwaarwegenheid. Of deze bereikt wordt, hangt af van de gegevens in de zaak.
6.1
Verweerder mag ten aanzien van Bulgarije in het algemeen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan. De Afdeling heeft recent geoordeeld dat er (in het algemeen) geen aanleiding is om te veronderstellen dat een vreemdeling bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico loopt op een situatie die in strijd is met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM. Uit het AIDA-rapport update 2024 volgt geen wezenlijk ander beeld van de opvangsituatie in Bulgarije voor Dublinterugkeerders dan de informatie uit eerdere AIDA-rapporten die reeds door de Afdeling is betrokken.
Kan verweerder voor Turkse asielzoekers ten aanzien van Bulgarije uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
7. De rechtbank overweegt dat er in een Dublinprocedure geen ruimte is voor het toetsen van het risico op indirecte refoulement als gevolg van uiteenlopend beschermingsbeleid, en dat ook materiele meningsverschillen tussen lidstaten over de vraag wanneer een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming, niet relevant zijn. Dit is anders wanneer niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
7.1
In de uitspraak van 12 november 2024 van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, waarnaar eisers in haar zienswijze en in beroep verwijst, is -samengevat- geoordeeld dat er aanwijzingen zijn voor een systeemfout in de Bulgaarse asielprocedure voor Turkse asielzoekers. Uit die uitspraak volgt dat verweerder niet zonder nader onderzoek en zonder nadere motivering voor Turkse asielzoekers ten aanzien van Bulgarije kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In die uitspraak is onder meer overwogen dat de in die zaak door de vreemdeling aangehaalde informatie over de inwilliging van aanvragen en de behandeling van Turkse asielzoekers uit het AIDA-rapport Bulgarije update 2023, een serieuze aanwijzing is dat er niet alleen sprake is van een verschil in beschermingsbeleid, maar ook van een systeemfout in de Bulgaarse asielprocedure ten aanzien van Turkse asielzoekers. De omstandigheid dat er in de jaren 2018, 2029 en 2023 geen enkele asielaanvraag van een Turkse asielzoeker is toegewezen en in de jaren 2020, 2021 en 2022 het toewijzingspercentage erg laag was, roept volgens de zittingsplaats op zichzelf de vraag op of Turkse asielzoekers in Bulgarije wel een eerlijke asielprocedure, waarin hun aanvraag inhoudelijk beoordeeld wordt, kunnen doorlopen.
8. Ten opzichte van het AIDA-rapport Bulgarije Update 2023 waarop deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, haar oordeel heeft gebaseerd, zijn er volgens het meest recente AIDA-rapport Update 2024 twee wijzigingen. In 2024 was het inwilligingspercentage namelijk 14% (het ging hier uitsluitend om asielvergunningen voor Turkse personen op grond van subsidiaire bescherming en niet om de vluchtelingenstatus) en inmiddels wordt er in Bulgarije een officiële lijst van veilige landen van herkomst gehanteerd. De rechtbank ziet in deze twee wijzigingen geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan het oordeel in de hiervoor uitgenoemde uitspraak van 12 november 2024. Het AIDA-rapport 2024 Update laat op pagina 75 en 76 een vergelijkbaar wisselend beeld van de afdoening van asielverzoeken van Turkse asielzoekers zien als de in de uitspraak van 12 november 2024 opgenomen informatie uit het AIDA Rapport 2023 Update [6] . Dat in 2024 sprake was van een inwilligingspercentage van 14% zou daarom slechts een tijdelijke en geen structurele verbetering kunne betekenen. Aan dit inwilligingspercentage kan dus geen doorslaggevend gewicht worden toegekend.
8.1
Anders dan de zittingsplaats Haarlem heeft overwogen, overweegt deze rechtbank dat het lage inwilligingspercentage op zichzelf genomen onvoldoende is om te twijfelen aan of Turkse asielzoekers wel een eerlijke asielprocedure, waarin hun aanvraag inhoudelijk beoordeeld wordt, kunnen doorlopen in Bulgarije [7] . De rechtbank acht het echter van belang dat eisers niet alleen heeft gewezen op het lage inwilligingspercentage van asielaanvragen van Turkse asielzoekers, maar bijvoorbeeld ook de aanwijzingen van de informele overeenkomst tussen Bulgarije en Turkije en de slechte toegang tot de rechtsbijstand in Bulgarije. Uit het AIDA-rapport 2024 Update volgt dat in Bulgarije veel Turkse asielzoekers tijdens hun asielprocedure in detentie verblijven, hun asielaanvragen werden afgewezen en dat zij terug gedeporteerd werden naar Turkije. [8] Ook volgt uit het rapport dat de immigratie politie alles aan doet om Turkse gedetineerden weg te houden van advocaten en juridisch advies. Dit zou volgens het rapport een resultaat lijken te zijn van een informele politieke overeenkomst tussen de Bulgaarse en Turkse overheden. Verondersteld wordt dat soortgelijke overeenkomsten halverwege 2023 opnieuw zijn bereikt. In het hiervoor genoemde uitspraak van 12 november 2024 is dezelfde informatie, die ook in het AIDA-rapport Bulgarije Update 2023 is opgenomen, geciteerd om aan te geven dat deze informatie iets zegt over de wijze waarop asielverzoeken van Turkse asielzoekers in Bulgarije worden behandeld. Nu deze informatie ook is opgenomen in de meest recente AIDA-rapport 2024 Update, gaat de rechtbank ervan uit dat deze informatie nog steeds actueel is.
8.2
Naar het oordeel van de rechtbank is alle hiervoor weergegeven informatie samen een zodanige aanwijzing voor een systeemfout in de Bulgaarse asielprocedure ten aanzien van Turkse asielzoekers, dat verweerder niet zonder nader onderzoek en zonder nadere motivering voor eisers als Turkse onderdanen kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije. Verweerder moet daarom nader onderzoek doen naar de situatie voor Turken die asiel aanvragen in Bulgarije, en meer in het bijzonder naar de vraag of hun aanvragen wel daadwerkelijk op een eerlijke wijze inhoudelijk beoordeeld worden. Dit mede in het licht van de tussen de beide landen gemaakte afspraken. Verweerder dient zich ervan te vergewissen of in Bulgarije al dan niet sprake is van een structurele systeemfout in de asielprocedure die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt voor Turkse asielzoekers die om internationale bescherming verzoeken. Nu verweerder dit heeft nagelaten, is het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank overweegt hierbij dat de hiervoor aangehaalde informatie uit het AIDA-rapport Bulgarije Update 2024 die specifiek ziet op de situatie van Turkse asielzoekers in Bulgarije niet is beoordeeld in de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling. Het feit dat de Afdeling recent heeft geoordeeld dat in het algemeen ten aanzien van Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank is – in tegenstelling tot verweerder- namelijk van oordeel dat de eerdergenoemde informatie voldoende aanwijzing is dat de situatie van Turkse asielzoekers in Bulgarije wezenlijk anders is dan die van andere asielzoekers.
8.3
De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd, en dus is genomen in strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet hierop behoeven overige beroepsgronden geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 van Pro het Awb. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op de aanvragen van eisers, met inachtneming van deze uitspraak.
10. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [9] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
11. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk;
- vernietigt het bestreden besluit van 18 augustus 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van K. el Mahsini, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54 Algemene Pro wet bestuursrecht.
2.Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden
4.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
5.ECLI:NL: RBDHA:2025:9219
6.Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 12 november 2024, ECLI:NL: RBDHA:2024:19887, r.o. 6.2
7.Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 12 november 2024, ECLI:NL: RBDHA:2024:19887, r.o. 6.2
8.Pagina 75.
9.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb