Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:26155

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
AWB 25/19188
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 AwbVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak niet-ontvankelijk wegens niet tijdige betaling griffierecht

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 30 december 2025 uitspraak gedaan over een verzoek om voorlopige voorziening in een vreemdelingenzaak. Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie, maar het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet tijdig was betaald.

De griffier had verzoekster bij aangetekende brief op 3 oktober 2025 in de gelegenheid gesteld het griffierecht van €194 binnen twee weken te voldoen. Hoewel de brief op 13 oktober 2025 was afgehaald, werd het griffierecht niet binnen de gestelde termijn betaald. Verzoekster gaf geen reden voor het verzuim, zodat geen verontschuldiging kon worden aangenomen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek daarom kennelijk niet-ontvankelijk was en dat het verzoek niet inhoudelijk kon worden beoordeeld. Omdat verzoekster het griffierecht na afloop alsnog betaalde, werd het bedrag teruggestort. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/19188

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 december 2025 in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: drs. F.W. King),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster hangende het beroep tegen de beslissing van verweerder van 23 september 2025. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
1.2.
Verweerder heeft met het besluit van 15 juli 2025 de aanvraag van verzoekster afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 september 2025 op het bezwaar van verzoekster is verweerder bij dit besluit gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. [1] In een zaak als deze is het griffierecht € 194,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoekster het griffierecht tijdig betaald?
2.1.
De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 3 oktober 2025 verzoekster in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 13 oktober 2025 om 15:46 uur is afgehaald en dat voor ontvangst is getekend. Verzoekster heeft het griffierecht niet op tijd betaald.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
2.2.
Verzoekster heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Omdat verzoekster na afloop van de gestelde termijn alsnog heeft betaald, wordt het bedrag teruggestort. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Laukens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J.J. de Vos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is geregeld in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang met artikel 8:41 van Pro de Awb.