ECLI:NL:RBDHA:2025:26156

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
NL25.61711
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring in het bestuursrecht

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 30 december 2025 uitspraak gedaan in een enkelvoudige kamer over de maatregel van bewaring die aan eiser is opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser, die in bewaring is gesteld op 14 augustus 2025, heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek op 23 december 2025 gesloten zonder zitting. De rechtbank heeft de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring getoetst aan de hand van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en eerdere uitspraken. Eiser betoogde dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde in de uitzettingsprocedure, maar de rechtbank concludeerde dat verweerder voldoende stappen had ondernomen. De rechtbank heeft ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring getoetst en geen gronden gevonden voor onrechtmatigheid. Het beroep van eiser is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61711

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. L.M. Weber),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 14 augustus 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 23 december 2025 gesloten.

Overwegingen

Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 21 oktober 2025 (in de zaak NL25.48690) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 15 oktober 2025).

Voortvarend handelen

3. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Daartoe voert eiser aan dat de door verweerder verrichte uitzettingshandelingen feitelijk niets voorstellen en niet tot enig resultaat leiden. Verweerder heeft al op 22 oktober 2025 een originele geboorteakte getoond aan de Egyptische vertegenwoordiger, die vervolgens heeft aangegeven een positieve reactie van de autoriteiten in Egypte te verwachten. Hoewel verweerder nadien schriftelijk heeft gerappelleerd, is een reactie van de vertegenwoordiger uitgebleven. Van verweerder had dan ook verwacht mogen worden dat hij persoonlijk contact zou opnemen met de vertegenwoordiger om de zaak te bespreken. Daarnaast had van medewerkers van de DIA of de DT&V verwacht mogen worden dat zij bij andere presentaties bij de Egyptische ambassade aandacht zouden vragen voor de zaak van eiser. Nu uit de voortgangsrapportage niet blijkt dat verweerder dergelijke stappen heeft ondernomen, werkt hij onvoldoende voortvarend aan de uitzetting, aldus eiser.
4. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de voortgangsrapportage van 17 december 2025 blijkt dat verweerder in de te toetsen periode op 16 oktober 2025, 6 november 2025 en 27 november 2025 bij de Egyptische autoriteiten (schriftelijk) heeft gerappelleerd over de openstaande aanvraag tot de afgifte van een laissez-passer (lp). Daarnaast blijkt uit de voortgangsrapportage dat verweerder op 15 oktober 2025, 13 november 2025 en 15 december 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Verder blijkt uit de voortgangsrapportage dat verweerder, anders dan eiser betoogt, wel degelijk extra aandacht heeft gevraagd voor de lp-aanvraag ten behoeve van eiser. Zo heeft verweerder op 14 november 2025 bij de Egyptische vertegenwoordiger geïnformeerd naar de status van de lp-aanvraag en heeft hij op 4 december 2025 opnieuw bij hem geïnformeerd, ditmaal ook met het verzoek of de vertegenwoordiger contact zou kunnen opnemen met de autoriteiten in Egypte over de lp-aanvraag. Naar het oordeel van de rechtbank werkt verweerder hiermee voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Gelet hierop slaagt de beroepsgrond niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.