De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de vader en verzoekster tot stiefouderadoptie van een minderjarige geboren in 2017 in het buitenland. De vader is sinds juli 2025 eenhoofdig gezagdrager over het kind. Verzoekster heeft het kind sinds januari 2020 verzorgd en opgevoed en is gehuwd met de vader sinds 2020. De moeder van het kind heeft schriftelijk ingestemd met de adoptie.
De rechtbank oordeelde dat aan de wettelijke vereisten van het Nederlandse adoptie- en familierecht is voldaan, waaronder de voorlichting van het kind en de instemming van de moeder. De Raad voor de Kinderbescherming had aanvankelijk geadviseerd het verzoek af te wijzen, maar wijzigde haar standpunt na de verklaring van de moeder en de feitelijke verzorging door verzoekster.
Daarnaast werd de inschrijving van de gelegaliseerde Gambiaanse geboorteakte van het kind in het Nederlandse register bevolen, aangezien het vaderschap vaststaat en de familierechtelijke betrekkingen tussen vader en kind zijn erkend. De rechtbank bepaalde dat na in kracht van gewijsde gaan van de beschikking een afschrift wordt toegezonden aan het gezagsregister voor aantekening.