Op 10 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven in een rekestprocedure betreffende de vaststelling van staatloosheid van een verzoekster. Het verzoekschrift, ingediend op 4 juni 2025, betreft de vaststelling van staatloosheid van de verzoekster, die geboren is in 1999 in een onbekende locatie. De verzoekster heeft een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf ingediend, welke is ingewilligd, en is op 13 oktober 2022 Nederland ingereisd. De rechtbank heeft kennisgenomen van verschillende documenten die door de verzoekster zijn overgelegd, waaronder een Syrisch reisdocument en een UNRWA familieregistratiekaart, die zijn gecontroleerd door de IND en als authentiek zijn bevonden.
De rechtbank heeft het verzoek beoordeeld op basis van artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, die regels bevat voor de vaststelling van staatloosheid. De rechtbank concludeert dat verzoekster in Nederland woont en onmiddellijk belang heeft bij het verzoek. De beoordeling richtte zich op de relevante landen, namelijk de Palestijnse Gebieden en Syrië. De rechtbank concludeert dat Nederland de staat Palestina niet erkent, waardoor verzoekster als staatloos wordt beschouwd. Ook wordt vastgesteld dat verzoekster niet in aanmerking komt voor de Syrische nationaliteit, waardoor de rechtbank concludeert dat verzoekster staatloos is.
De beschikking is gegeven door rechter A.M. van der Vliet, bijgestaan door griffier N.C. Gantenbein, en is uitgesproken tijdens de openbare terechtzitting op 10 december 2025.