ECLI:NL:RBDHA:2025:26239

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
10 januari 2026
Zaaknummer
C/09/686289 / HA RK 25-291
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet vaststellingsprocedure staatloosheidDecreet 276 uit 1969 Syrisch nationaliteitsrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van staatloosheid van verzoekster met Palestijnse achtergrond

Verzoekster, geboren in 1999 in het buitenland en van Palestijnse afkomst, heeft een verblijfsvergunning in Nederland en verzoekt de rechtbank om haar staatloosheid vast te stellen. De rechtbank baseert zich op de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid van 2023.

De rechtbank betrekt de relevante landen Syrië en de Palestijnse Gebieden in haar beoordeling. Uit de overgelegde en door de IND geverifieerde documenten blijkt dat verzoekster Palestijnse roots heeft en in Syrië heeft gewoond. Nederland erkent de Palestijnse nationaliteit niet, waardoor Palestijnen in Nederland als staatloos worden beschouwd. Daarnaast is het op grond van de Syrische nationaliteitswetgeving niet aannemelijk dat verzoekster de Syrische nationaliteit bezit.

De rechtbank concludeert dat verzoekster niet door enige staat als onderdaan wordt beschouwd en stelt daarom haar staatloosheid vast. De beschikking is zonder mondelinge behandeling gegeven, met instemming van partijen.

Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat verzoekster staatloos is omdat geen enkele staat haar als onderdaan erkent.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 25-291
Zaaknummer: C/09/686289
Datum beschikking: 10 december 2025

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 4 juni 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster] ,

verzoekster,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J. Bravo Mougán te Wezep.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de Staat”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. S. Deniz.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 7 juli 2025 van de Staat;
- de brief van 4 augustus 2025 van verzoekster;
- de brief van 8 oktober 2025 van de Staat;
- het e-mailbericht van 1 november 2025 van verzoekster.

Verzoek en het advies van de Staat

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoekster.
De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met wat is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt.
- Verzoekster is geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] , [geboorteland] .
- Op 7 oktober 2021 is namens verzoekster een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging. Deze aanvraag is ingewilligd op 17 augustus 2022.
- Op 13 oktober 2022 is verzoekster Nederland ingereisd.
- Aan verzoekster is een verblijfsvergunning verleend van 11 oktober 2022 tot 11 oktober 2027.
- Verzoekster is in het bezit van de volgende documenten, welke zijn gecontroleerd door Bureau Documenten van de IND en echt zijn bevonden:
 Origineel Syrisch reisdocument;
 Origineel UNRWA familieregistratiekaart;
 Origineel geboortecertificaat;
 Origineel individueel uittreksel;
 Origineel familieboekje;
 Origineel familie uittreksel;
 Originele huwelijksbevestiging van de shariarechtbank.

Beoordeling

Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van Pro de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).
Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoekster in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoekster onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat zij ontvankelijk is in haar verzoek.
Relevante landen
De rechtbank ziet aanleiding om de Palestijnse Gebieden en Syrië in haar beoordeling over de staatloosheid van verzoekster te betrekken. Verzoekster heeft vanaf haar geboorte tot oktober 2022 in Syrië gewoond.
Wordt verzoekster als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd?
Gelet op de door verzoekster overgelegde documenten – welke documenten positief zijn beoordeeld door Bureau Documenten van de IND – is het aannemelijk dat verzoekster van Palestijnse afkomst is. Voor zover verzoekster de Palestijnse nationaliteit heeft, geldt het volgende.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos.
Wordt verzoekster als onderdaan van Syrië beschouwd?
Op grond van de nationaliteitswetgeving van Syrië (decreet 276 uit 1969; bevestiging hiervan is te vinden in het ‘Algemeen Ambtsbericht Syrië’ (mei 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) kan de Syrische nationaliteit onder andere worden verkregen door afstamming van een Syrische vader. Een moeder kan naar Syrisch nationaliteitsrecht haar nationaliteit alleen doorgeven in het geval het kind is geboren in Syrië en de vader het kind niet heeft erkend. Van deze situaties is in dit geval niet gebleken, zodat het niet aannemelijk is dat verzoekster de Syrische nationaliteit via haar vader of moeder kan hebben verkregen.
Verzoekster beschikt ook over een Syrisch reisdocument voor Palestijnse vluchtelingen en een Syrische identiteitskaart voor Palestijnse vluchtelingen, zodat aannemelijk is dat de Syrische overheid verzoekster beschouwt als Palestijn zonder de Syrische nationaliteit.
Uit de Werkinstructie volgt dat Palestijnen in Syrië in principe staatloos zijn en niet kunnen naturaliseren.
Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoekster beschikt over de nationaliteit van Syrië.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat verzoekster door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd, zodat de staatloosheid van verzoekster kan worden vastgesteld.

Beslissing

De rechtbank:
stelt vast dat verzoekster staatloos is.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, rechter, bijgestaan door
mr. N.C. Gantenbein als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 december 2025.