Verzoeker, geboren in 1996 in Saoedi-Arabië en van Palestijnse afkomst, heeft in 2021 Nederland bereikt na vlucht uit Syrië via Turkije en Griekenland. Hij vroeg asiel aan en kreeg een vergunning tot 2027. Verzoeker vroeg de rechtbank om zijn staatloosheid vast te stellen op grond van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid.
De rechtbank onderzocht de nationaliteitsstatus van verzoeker in relatie tot de Palestijnse Gebieden, Saoedi-Arabië, Syrië en Turkije. Hoewel verzoeker documenten overlegde die zijn Palestijnse afkomst ondersteunen, erkent Nederland de Palestijnse nationaliteit niet en beschouwt Palestijnen zonder andere nationaliteit als staatloos. De Saoedische nationaliteit is niet verkregen door geboorte of naturalisatie, en ook de Syrische en Turkse nationaliteit zijn niet aannemelijk vanwege de nationaliteitswetgeving en omstandigheden.
De rechtbank concludeerde dat verzoeker door geen enkele staat als onderdaan wordt beschouwd en stelde zijn staatloosheid vast. Het verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad werd afgewezen. Elke partij draagt haar eigen proceskosten. Het meer of anders verzochte werd afgewezen.