In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 12 december 2025 een beschikking gegeven in een familierechtelijke procedure betreffende de omgang tussen een vader en zijn twee minderjarige kinderen. De moeder had een verzoek ingediend voor een omgangsregeling, omdat de huidige omgang tussen de vader en de kinderen als te vrijblijvend en onregelmatig werd ervaren. De kinderen gaven aan hun vader te missen en vaker contact met hem te willen hebben. Tijdens de zitting op 14 november 2025 was de vader niet verschenen, waardoor onduidelijk bleef of hij de voorgestelde regeling kon nakomen. De moeder stelde voor om een minder verstrekkende regeling vast te leggen, waarbij de kinderen om de week op zondag van 11.00 uur tot 19.00 uur bij de vader verblijven. De rechtbank oordeelde dat het in het belang van de kinderen was om regelmatig contact met de vader te hebben en stemde in met de voorgestelde regeling. Daarnaast werd de vader geadviseerd om contact op te nemen met de hulpverlening die bij de kinderen betrokken is, om beter in te kunnen spelen op hun behoeften. De rechtbank bepaalde dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.