De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van een minderjarige vanwege zorgen over ernstig schoolverzuim, mogelijke onveilige thuissituatie en belemmeringen in de ontwikkeling van de minderjarige. De Raad baseerde het verzoek op een patroon van ambivalentie van de ouders ten aanzien van hulpverlening, vermoedens van uithuwelijking en spanningen tussen traditionele en Nederlandse cultuur.
Tijdens de zitting werd een positieve ontwikkeling binnen het gezin vastgesteld, waarbij het schoolverzuim was afgenomen en de sfeer verbeterd. De ouders erkenden de situatie en gaven aan dat zij het verzoek niet noodzakelijk achten. Ook de gecertificeerde instelling uitte twijfels over de noodzaak van ondertoezichtstelling en adviseerde inzet van een coach en jeugdreclassering.
De kinderrechter concludeerde dat de wettelijke gronden voor ondertoezichtstelling niet voldoende aanwezig zijn. De ingezette hulpverlening wordt als passend en effectief gezien om de zorgen weg te nemen. Gezien de verbeterde situatie en de intentie van de ouders om de voortgang te waarborgen, werd het verzoek afgewezen.
Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na dagtekening van de uitspraak.