ECLI:NL:RBDHA:2025:2638

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 februari 2025
Publicatiedatum
21 februari 2025
Zaaknummer
NL25.5918
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting tijdens bezwaarprocedure verblijfsvergunning

Verzoekster heeft een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning ingediend die door de minister van Asiel en Migratie op 22 januari 2024 is afgewezen. Hiertegen maakte zij bezwaar en verzocht zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening zodat zij in Nederland kan blijven totdat op het bezwaar is beslist.

De minister stelde zich niet op het standpunt dat hij zich tegen het verzoek zou verzetten. De voorzieningenrechter oordeelde dat op grond van artikel 8:81 Awb Pro een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dat vereist, gelet op de belangen van partijen. Gezien het ontbreken van verzet en de belangen van verzoekster werd het verzoek toegewezen.

De minister is verboden om verzoekster uit te zetten of voorbereidingen daartoe te treffen totdat op het bezwaar is beslist. Tevens moet de minister het griffierecht van verzoekster vergoeden en is hij veroordeeld in de proceskosten van € 907,- voor de rechtsbijstand van verzoekster.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verbiedt de minister verzoekster uit te zetten totdat op het bezwaar is beslist en veroordeelt de minister in griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.5918

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], V-nummer: [vnummer], verzoekster

(gemachtigde: mr. E.A. Besselsen),
en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoekster om een voorlopige voorziening.
1.1
Bij besluit van 22 januari 2024 (primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoekster om verlening van een reguliere verblijfsvergunning afgewezen.
1.2
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat verzoekster het besluit op het bezwaar in Nederland mag afwachten.
1.3
De minister heeft op 11 februari 2025 per brief laten weten zich niet te verzetten tegen toewijzing van het verzoek.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Nu de minister zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletselen ziet om de voorziening toe te wijzen, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen in die zin dat de minister verzoekster niet mag uitzetten totdat op het bezwaar is beslist.
4. Omdat het verzoek wordt toegewezen, moet de minister het griffierecht van verzoekster vergoeden.
5. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,-, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
  • gebiedt de minister om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van verzoekster en van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, totdat op het bezwaar is beslist;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan verzoekster moet vergoeden.
  • veroordeelt de minister in de proceskosten tot een bedrag van € 907-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van B.A. van der Wiel griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.