ECLI:NL:RBDHA:2025:26382
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende bewijs van onterechte strafrechtelijke veroordeling en discriminatie
Eiser diende op 2 maart 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na een ingebrekestelling wegens het niet tijdig beslissen, nam de minister op 23 juli 2024 alsnog een besluit tot afwijzing van de aanvraag. Eiser voerde aan onterecht veroordeeld te zijn in Turkije en vreest vervolging vanwege zijn Koerdische afkomst en problemen met ex-zwagers.
De rechtbank stelde vast dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk was omdat het besluit inmiddels genomen was. De inhoudelijke beoordeling richtte zich op de geloofwaardigheid van eisers asielverhaal. De rechtbank vond de bewering van onterechte veroordeling niet aannemelijk, mede omdat eiser geen overtuigend bewijs leverde en de Turkse rechterlijke procedures hem de mogelijkheid boden tot hoger beroep.
Ook de stelling dat eiser vanwege zijn etniciteit problemen ondervond, werd niet als apart relevant element erkend, omdat eiser dit onvoldoende had toegelicht. De problemen met ex-zwagers waren onvoldoende om een reëel risico op vervolging aan te nemen. De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit terecht was en wees het beroep ongegrond. Eiser kreeg een proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk.