ECLI:NL:RBDHA:2025:26382

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
NL24.1968
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van Turkse eiser met strafrechtelijke veroordeling en beroep tegen afwijzing

In deze zaak heeft eiser, een Turkse nationaliteit, op 2 maart 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser heeft de minister van Asiel en Migratie in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. De minister heeft uiteindelijk op 23 juli 2024 de aanvraag afgewezen. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, dat op 26 augustus 2025 door de rechtbank is behandeld. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister niet tijdig heeft beslist, maar dat eiser geen inhoudelijk belang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen, omdat de minister alsnog een besluit heeft genomen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft aangevoerd dat hij onterecht is veroordeeld tot gevangenisstraf in Turkije en dat hij geen eerlijk proces heeft gehad. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat eiser niet voldoende bewijs heeft geleverd om aan te tonen dat zijn veroordeling onterecht was. De rechtbank heeft vastgesteld dat de Turkse rechterlijke macht niet volledig onafhankelijk is, maar dat dit niet betekent dat elke veroordeling in Turkije verdacht is. Eiser heeft niet aangetoond dat hij in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten stond, en de rechtbank heeft geconcludeerd dat de asielaanvraag van eiser ongegrond is. De rechtbank heeft het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag ongegrond verklaard en de proceskosten vastgesteld op € 453,50.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.1968

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Erik),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.R. Menschaart).

Procesverloop

1. Eiser heeft op 2 maart 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
1.1.
Op 16 december 2023 heeft eiser de minister in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
1.2.
Op 18 januari 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
1.3.
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 23 juli 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Eiser is het niet eens met dit besluit en heeft zijn beroep gehandhaafd.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, als tolk S. Cakmak en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Het beroep tegen het niet tijdig beslissen
2. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat verweerder niet tijdig heeft beslist op de asielaanvraag van eiser, dat de ingebrekestelling geldig is en dat sindsdien twee weken zijn verstreken zonder dat de minister in die periode heeft beslist op de aanvraag. De minister heeft na het instellen van het beroep met het besluit van 23 juli 2024 echter alsnog beslist op de aanvraag. Dat betekent dat eiser geen inhoudelijk belang meer heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk.
2.1.
Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen mede betrekking op het alsnog genomen reële besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Eiser is het niet eens met het alsnog genomen besluit op zijn asielaanvraag en heeft zijn gronden van beroep aangevuld. Het beroep van eiser heeft dus mede betrekking op het besluit van 23 juli 2024. De rechtbank zal dan ook hierna inhoudelijk ingaan op de beroepsgronden van eiser tegen het besluit van 23 juli 2024 tot afwijzing van zijn asielaanvraag.
Het asielrelaas
3. Eiser stelt de Turkse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1985. Hij legt – samengevat – het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag. Eiser is ten onrechte veroordeeld tot twee jaar en zes maanden gevangenisstraf omdat hij schuldig is bevonden aan fraude. Hij heeft geen eerlijk proces gekregen. Hij heeft immers beschikking over bankafschriften die zijn onschuld bewijzen, maar de Turkse rechtbank heeft dit niet meegenomen. Eiser heeft verder problemen met zijn ex-zwagers en vanwege zijn Koerdische afkomst. Eiser vreest bij terugkeer dat hij wordt gearresteerd en de gevangenis in zal moeten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eisers bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst
2. Onterechte beschuldiging door Turkse autoriteiten
3. Problemen met ex-zwagers.
4.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat zowel het eerste als het derde relevante element geloofwaardig is. Het tweede relevante element acht verweerder echter ongeloofwaardig. Eiser heeft niet met documenten kunnen aantonen dat sprake is van een onterechte veroordeling. Ook blijkt uit stukken niet dat geen sprake is geweest van een eerlijk proces. Eisers verklaringen over de beschuldigingen zijn verder niet duidelijk of inzichtelijk. Dat er in sommige situaties geen sprake is van een eerlijk proces in Turkije maakt niet dat dat in het geval van eiser ook zo is. De geloofwaardig geachte relevante elementen zijn onvoldoende om aannemelijk te achten dat sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM. De problemen van eiser met zijn ex-zwagers bestonden immers al geruime tijd voor eisers vertrek uit Turkije en bovendien was het voor eiser mogelijk om aangifte te doen bij de politie. Verweerder concludeert daarom dat de asielaanvraag van eiser wordt afgewezen als ongegrond.
Beoordeling door de rechtbank
Verkeerde vaststelling relevante elementen
5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte de problemen als gevolg van de etniciteit van eiser niet als relevant element heeft vastgesteld. Eisers etniciteit is weliswaar betrokken bij de beoordeling van de strafrechtelijke problemen, maar verweerder heeft niet onderkend dat eiser ook problemen vanwege zijn etniciteit heeft ervaren die geen verband houden met de strafrechtelijke procedure.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de door eiser gestelde problemen als gevolg van zijn Koerdische of Zaza etniciteit niet als apart relevant element aangemerkt hoefde te worden. Uit hetgeen door eiser is verklaard tijdens het nader gehoor blijkt ook in het geheel niet dat eiser stelt te zijn gevlucht vanwege problemen die verband houden met zijn etniciteit. Eiser heeft tijdens zijn asielprocedure en in beroep verder niet toegelicht welke problemen hij heeft ondervonden vanwege zijn etniciteit. Hij heeft zijn etniciteit/achtergrond enkel kort genoemd in het kader van zijn relaas over de strafrechtelijke vervolging. Uit die opmerking kan niet worden afgeleid dat wellicht sprake zou kunnen zijn van zwaarwegende discriminatie die zou kunnen leiden tot vergunningverlening. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Problemen met ex-zwagers
7. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn schriftelijke beroepschrift geen gronden heeft gericht tegen de door verweerder verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling. Ter zitting heeft eiser weliswaar gesteld dat hij dit nog altijd betwist, maar hij heeft verder enkel verwezen naar de zienswijze en geen inhoudelijke argumenten aangevoerd waarom het bestreden besluit geen stand zou kunnen houden. Dat verweerder in het bestreden besluit maar kort is ingegaan op dit relevante element kan zo zijn, maar dat laat onverlet dat het eerst aan eiser is om zijn grieven tegen de door verweerder verrichte beoordeling naar voren te brengen in beroep. Dit heeft hij niet gedaan en de rechtbank zal daarom dit relevante element verder onbesproken laten.
Onterechte beschuldiging door Turkse autoriteiten
8. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat hij onterecht is veroordeeld voor fraude. Hij heeft immers met bankafschriften aangetoond dat hij geen fraude heeft gepleegd. Dat hij dit niet als bewijs heeft kunnen indienen bij de rechtbank in Turkije geeft duidelijk aan dat geen sprake is geweest van een eerlijk proces. Eiser heeft hier duidelijk over verklaard. Verweerder stelt verder ten onrechte dat in het algemeen recht op een eerlijk proces bestaat in Turkije. Uit openbare bronnen blijkt dat sprake is van willekeur bij strafrechtelijke vervolging in Turkije. Zo worden tegenstanders van het regime, zoals Koerden en Gülenisten, vaak strafrechtelijk vervolgd onder valse voorwendselen en krijgen zij geen eerlijk proces.
8.1.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat uit hetgeen eiser heeft verklaard en de documenten die hij heeft overgelegd niet blijkt dat hij onterecht is veroordeeld voor fraude. Uit landeninformatie volgt dat de Turkse rechterlijke macht niet geheel onafhankelijk is. Vermeende tegenstanders van het regime worden vervolgd en bij dat soort zaken is niet altijd sprake van een eerlijk proces. Dit betekent echter niet dat elke strafrechtelijke veroordeling in Turkije ‘verdacht is’ en aannemelijk maakt dat de veroordeelde persoon op oneigenlijke gronden is veroordeeld. Eiser dient dus met zijn verklaringen of met documenten aannemelijk te maken dat hij is vervolgd en veroordeeld op oneigenlijke gronden en onder valse voorwendselen. Uit eisers verklaringen blijkt echter niet dat hij vóór de veroordeling in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten stond. Daarom valt niet in te zien waarom de Turkse autoriteiten hem vals zouden beschuldigen en zouden vervolgen. De enkele omstandigheid dat eiser van Koerdische afkomst stelt te zijn, doet hier niet aan af. Eiser heeft immers geen verklaringen afgelegd waaruit volgt dat hij om die reden (bijvoorbeeld wegens politiek activisme of om een andere reden) in de negatieve aandacht van de autoriteiten stond. Verweerder heeft het onaannemelijk en ongeloofwaardig kunnen vinden dat de Turkse autoriteiten zoveel middelen zouden inzetten om eiser vals te beschuldigen (en veroordelen) voor fraude terwijl hij niet politiek actief was of anderszins in de negatieve aandacht stond van de autoriteiten.
8.2.
Verder blijkt uit de overgelegde stukken dat eiser bij het Regionaal Gerechtshof in hoger beroep heeft kunnen gaan tegen zijn veroordeling in eerste aanleg door de rechtbank te Istanbul en dat het Regionaal Gerechtshof het vonnis van de rechtbank heeft vernietigd en heeft bepaald dat de procedure opnieuw moest. Nadat eiser opnieuw werd veroordeeld door de rechtbank is hij wederom in hoger beroep gegaan en is het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Hieruit blijkt dat eiser niet verstoken is geweest van de mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden en ook is niet gebleken dat deze niet effectief waren. Verweerder heeft verder kunnen concluderen dat uit de door eiser overgelegde bankafschriften niet kan worden afgeleid dat eiser onterecht is veroordeeld voor fraude. Het is bovendien niet aan verweerder om eisers onschuld te bewijzen of te ontkrachten. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij geen eerlijk proces heeft gehad. Daar is eiser, zoals hiervoor is overwogen, niet in geslaagd.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep tegen de afwijzing van eisers asielaanvraag is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.
10. Het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt wel een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het terecht indienen van het beroep niet tijdig beslissen (met een waarde per punt van € 907,00 en wegingsfactor 0,5)).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. L.D. Osborne, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.