ECLI:NL:RBDHA:2025:26386

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
NL25.53205
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling asielaanvraag en interstatelijk vertrouwensbeginsel in het kader van de Dublinverordening

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 16 december 2025, wordt het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd beoordeeld. De Minister van Asiel en Migratie heeft de aanvraag met het besluit van 29 oktober 2025 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag op basis van de Dublinverordening. Eiseres heeft beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting op 11 december 2025 waren de gemachtigden van beide partijen aanwezig.

De rechtbank oordeelt dat de Minister terecht heeft besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Eiseres heeft niet aangetoond dat haar individuele omstandigheden, zoals haar kwetsbaarheid en afhankelijkheid van familieleden, niet voldoende zijn meegenomen in het besluit. De rechtbank stelt vast dat de Europese Unie regelgeving heeft die bepaalt dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen als een andere lidstaat verantwoordelijk is. Eiseres heeft niet kunnen weerleggen dat Frankrijk kan worden vertrouwd om aan haar zorgbehoeften te voldoen, en heeft geen objectieve medische documentatie overgelegd ter ondersteuning van haar claims.

De rechtbank concludeert dat de Minister geen aanleiding had om de aanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken, omdat eiseres niet heeft aangetoond dat er bijzondere omstandigheden zijn die een uitzondering rechtvaardigen. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is openbaar gemaakt op 16 december 2025.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.53205
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. drs. C.G. Matze),

en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. Koning).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 29 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiseres heeft eveneens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2025. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres (telefonisch) en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat een de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij
Frankrijk een verzoek om overname gedaan op 24 september 2025. Frankrijk heeft dit verzoek op 8 oktober 2025 aanvaard.
De beroepsgronden
4. Eiseres betoogt dat verweerder heeft nagelaten haar individuele omstandigheden, met name haar kwetsbaarheid en afhankelijkheid van haar familieleden, afdoende te betrekken bij het bestreden besluit. Overdracht aan Frankrijk leidt tot een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling door het ontbreken van tijdige en adequate medische zorg en de noodzakelijke ondersteuning door familieleden. Gezien de ernst en voortschrijding van haar ziekte, ontbreekt het eiseres aan de kans en gelegenheid om hierover effectief te klagen bij de Franse autoriteiten. Gezien het voorgaande moet verweerder de uitzonderingsgrond als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening toepassen. Het ontbreken van mantelzorg leidt tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiseres. Verweerder had daarom onderzoek moeten doen naar de feitelijke beschikbaarheid en toegankelijkheid van mantelzorg in Frankrijk.
4.1.
Eiseres stelt dat zij ten tijde van het afgenomen gehoor nog geen gemachtigde had en zij onvoldoende heeft kunnen uitleggen hoezeer zij afhankelijk is van de mantelzorg door haar zoon en schoondochter. Ook is de tijd tussen het doen van de aanvraag en het bestreden besluit te kort geweest om met medische gegevens aan te tonen hoe ernstig haar situatie is. Hierdoor heeft zij onvoldoende gelegenheid gehad om te onderbouwen dat haar familieleden in Nederland onmisbaar zijn voor de noodzakelijke zorg en dat er geen realistisch zorgalternatief bestaat in Frankrijk.
Kan de minister voor Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Het uitgangspunt is in het algemeen dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in de lidstaat waar hij of zij internationale bescherming geniet, in overeenstemming is met de bepalingen van het EU-Handvest, het Vluchtelingenverdrag, en het EVRM (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). Het is dan aan de vreemdeling om dit vermoeden te weerleggen.
5.1.
Eiseres is er niet in geslaagd te weerleggen dat voor Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiseres heeft met haar summiere verklaring over wat zij persoonlijk heeft meegemaakt in Frankrijk niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk, als gevolg van het niet nakomen van de internationale verplichtingen door de Franse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. De rechtbank betrekt hierbij dat eiseres haar (medische) situatie niet heeft onderbouwd met objectieve stukken. Zij heeft geen enkele medische documentatie dan wel andere relevante stukken overgelegd bij haar aanvraag en zienswijze noch in de beroepsprocedure. Eiseres heeft voorts verklaard niet te hebben geklaagd dan wel op andere wijze bezwaar te hebben gemaakt bij de Franse autoriteiten ten aanzien van haar situatie. Niet is gebleken dat de daartoe bevoegde Franse autoriteiten eiseres niet kunnen of willen helpen.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht aan zich moeten trekken?
6. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening heeft de minister een discretionaire bevoegdheid. Hierin is bepaald dat in afwijking van artikel 3, eerste lid, elke lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. De minister maakt hier, zoals ook ter zitting toegelicht, terughoudend gebruik van, namelijk in situaties waarin overdracht getuigt van onevenredige hardheid.
6.1.
In het betoog van eiseres heeft de minister geen aanleiding hoeven te zien om de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken. Ook hier rekent de rechtbank eiseres aan dat zij geen enkele (medische) documentatie heeft overgelegd om te onderbouwen dat in haar geval sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat overdracht aan Frankrijk van onevenredige hardheid zou getuigen. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat alleen haar in Nederland verblijvende zoon en schoondochter noodzakelijke zorg kunnen verlenen en dat deze medische zorg in Frankrijk niet beschikbaar is.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling is genomen. Eiseres krijg geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 december 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.