ECLI:NL:RBDHA:2025:26402

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
C/09/694402 / KG ZA 25-1111
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Procedure tussen voormalige echtgenoten over de medewerking aan verkoop van een woning

In deze zaak, die op 14 november 2025 door de Rechtbank Den Haag is behandeld, gaat het om een kort geding tussen twee voormalige echtgenoten, eiser en gedaagde, over de medewerking aan de verkoop van een woning. De procedure is gestart door eiser, die gedaagde verzoekt om haar medewerking te verlenen aan de levering van de woning aan kopers, na een eerdere overeenkomst tussen hen. De zaak is ontstaan na een echtscheiding en de verkoop van de woning, waarbij gedaagde haar volmacht aan de notaris heeft ingetrokken en niet heeft gereageerd op verzoeken van eiser om mee te werken aan de levering. Eiser heeft gedaagde gesommeerd om binnen een bepaalde termijn haar medewerking te verlenen, maar gedaagde heeft hieraan geen gevolg gegeven. De rechtbank heeft geoordeeld dat gedaagde haar medewerking moet verlenen aan de levering van de woning, en heeft bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van de verklaring(en) van gedaagde die nodig zijn om de leveringsakte te laten passeren. De vordering van eiser tot betaling van buitengerechtelijke kosten is afgewezen, en de proceskosten zijn gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/694402 / KG ZA 25-1111
Vonnis in kort geding van 14 november 2025
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats 1] ,
eiser,
advocaat mrs. R. van der Jagt en M. Charitos te ‘s-Hertogenbosch,
tegen:
[gedaagde]te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
in persoon verschenen.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 november 2025 met producties;
- een schriftelijke reactie op de dagvaarding met zestien producties (de overgelegde screenshots van appberichten zijn in het digitale dossier gecomprimeerd tot het bestand ‘App rechtbank in PDF’);
- de op 14 november 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij [gedaagde] de zitting via een video-verbinding heeft bijgewoond.
1.2.
Bij e-mailbericht van 13 november 2025 heeft [gedaagde] verzocht om uitstel van de zitting. Aan dit verzoek is ten grondslag gelegd dat het, gelet op de korte termijn tussen ontvangst van de dagvaarding en de datum van de geplande zitting, niet is gelukt een advocaat te vinden die [gedaagde] kan bijstaan. Ook heeft [gedaagde] meegedeeld dat zij in het buitenland verblijft en pas op 22 november 2025 terug zal zijn in Nederland. Bij brief van 13 november 2025 (per abuis gedateerd op 11 november 2025) is van de zijde van [eiser] gemotiveerd bezwaar gemaakt tegen het verzoek om uitstel van de zitting. De rechtbank heeft vervolgens beslist dat het verzoek van [gedaagde] om uitstel van de zitting wordt afgewezen vanwege de door [eiser] gestelde spoedeisendheid van de zaak. Aan [gedaagde] is de mogelijkheid geboden de zitting vanuit het buitenland per videoverbinding bij te wonen. [gedaagde] heeft nog dezelfde dag te kennen gegeven van die mogelijkheid gebruik te willen maken. Ter zitting is van de zijde van [eiser] ingestemd met deze wijze van verschijnen ter zitting door [gedaagde] .
1.3.
Op 14 november 2025 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 28 november 2025.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eiser] en [gedaagde] zijn voormalige echtgenoten. In de tijd dat zij nog gehuwd waren had [eiser] een bouwbedrijf en verrichtte [gedaagde] daarvoor administratieve werkzaamheden. Op [dag] 2025 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken. Ten tijde van de echtscheiding behoorde tot de (ontbonden) huwelijksgemeenschap onder meer de appartementsrechten, rechtgevende op het gebruik van het appartement met berging en parkeerplaats behorend bij adres [adres 1] te ( [postcode] ) [plaats] (hierna ook: de woning).
2.2.
Op 9 april 2025 hebben [eiser] en [gedaagde] een document ondertekend waarin diverse afspraken zijn vastgelegd. Hierin staat onder meer opgenomen:
“(…)
Appartementen [adres 2] [huisnummer 1] , [huisnummer 2] , [huisnummer 3] te [plaats]:
[gedaagde][[gedaagde] , voorzieningenrechter]
krijgt appartement met huisnummer [huisnummer 2] .
[eiser][[eiser] , voorzieningenrechter]
krijgt appartement met huisnummer [huisnummer 1] en deze wordt verkocht.
[eiser] en [gedaagde] hebben huisnummer [huisnummer 3] en deze wordt verkocht.
(…)”
2.3.
[eiser] en [gedaagde] hebben de woning verkocht aan de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] (hierna: kopers). De koopovereenkomst is op 9 juni 2025 getekend door [eiser] en [gedaagde] en op 11 juni 2025 door kopers. De woning is verkocht voor een bedrag van € 472.000,-. Artikel 4.1 van de koopovereenkomst bepaalt dat de akte van levering gepasseerd zal worden op 1 augustus 2025 of zoveel eerder of later als partijen tezamen nader overeenkomen.
Artikel 14.1 van de koopovereenkomst bepaalt dat als één van de partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig is of blijft in de nakoming van één of meer van diens uit de koopovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, de wederpartij van de nalatige partij deze koopovereenkomst zonder rechterlijke tussenkomst kan ontbinden door middel van een schriftelijke verklaring aan de nalatige partij.
Artikel 14.2 bepaalt dat ontbinding op grond van tekortkoming slechts mogelijk is na voorafgaande ingebrekestelling. Bij ontbinding van de koopovereenkomst op grond van toerekenbare tekortkoming zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij een zonder rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete van tien procent (10%) van de koopsom verbeuren, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding, indien de daadwerkelijke schade hoger is dan de onmiddellijk opeisbare boete, en onverminderd schadevergoeding van kosten van verhaal.
2.4.
[eiser] en [gedaagde] zijn op enig moment met kopers van de woning overeengekomen dat de levering uitgesteld zal worden. De reden daarvoor was dat kopers de financiering voor de woning eerder niet rond kregen.
2.5.
Op enig moment heeft [gedaagde] haar aan de notaris afgegeven volmacht – die is afgegeven ten behoeve van de levering van de woning – ingetrokken.
2.6.
[eiser] heeft [gedaagde] op 3 en 6 november 2025 verzocht om haar medewerking tot levering van de woning te verlenen, maar een reactie van [gedaagde] daarop is uitgebleven.
2.7.
Op 7 november 2025 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde] gesommeerd om binnen 96 uur fysiek dan wel digitaal contact op te nemen met de notaris en aan hem een hernieuwde volmacht te verstrekken en/of anderszins al haar onverminderde medewerking te verlenen om de tijdige levering van de woning (uiterlijk op 24 november 2025) te bewerkstelligen. [gedaagde] heeft aan die sommatie geen gevolg gegeven.
2.8.
Kopers hebben [eiser] en [gedaagde] bij brief van 10 november 2025 een ingebrekestelling gestuurd. In de brief staat vermeld dat [eiser] en [gedaagde] tekort zijn geschoten door na te laten de woning op 31 oktober 2025 aan kopers te leveren. [eiser] en [gedaagde] zijn door de kopers verzocht en zo nodig gesommeerd om uiterlijk op 18 november 2025 hun verplichtingen uit de koopovereenkomst alsnog na te komen. Kopers hebben zich het recht voorbehouden om de boete op te eisen conform de in de koopovereenkomst vastgestelde regeling.
2.9.
De heer [naam 1] heeft de woning al betrokken.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk volledig uitvoerbaar bij voorraad:
[gedaagde] te veroordelen om binnen een termijn van twee werkdagen na betekening van het te wijzen vonnis haar medewerking te verlenen aan de levering van de woning aan kopers conform de als productie 4 aangehechte leveringsakte, althans om te bepalen dat het te wijzen vonnis in de plaats zal treden van de verklaring(en) van [gedaagde] die nodig is(/zijn) om die leveringsakte op 18 november 2025 te laten passeren indien [gedaagde] niet voordien haar medewerking heeft verleend;
[gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 1.247,- als door [eiser] gemaakte buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf datum dagvaarding; en
[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe.
3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan.
[eiser] en [gedaagde] hebben met kopers een koopovereenkomst gesloten. Op grond van aanvullende afspraken waren zij gehouden de woning uiterlijk op 31 oktober 2025 aan kopers te leveren. [gedaagde] heeft geen medewerking aan de levering verleend. Omdat [eiser] en [gedaagde] door kopers in gebreke zijn gesteld lopen zij het risico dat zij 10% van de koopsom van de woning als boete moeten betalen als zij niet uiterlijk op 18 november 2025 meewerken aan de levering. [gedaagde] is gehouden tot nakoming van de gemaakte afspraken.
[eiser] heeft verder de nodige inspanningen verricht om [gedaagde] te bewegen tot nakoming van gemaakte afspraken, zodat zij gehouden is gemaakte buitengerechtelijke kosten te vergoeden.
3.3.
[gedaagde] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
De vraag ligt voor of [gedaagde] gehouden is haar medewerking te verlenen aan de levering van de woning aan kopers, althans of geoordeeld moet worden dat het vonnis in de plaats zal treden van haar verklaring(en) die nodig is (zijn) om de leveringsakte voor de woning uiterlijk op 18 november 2025 te laten passeren.
4.2.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat de aanvankelijke datum voor de levering van de woning (1 augustus 2025) eerder twee keer met een week is uitgesteld omdat kopers de financiering voor de woning nog niet rond hadden. Daarna zou zij buiten verdere communicatie over verplaatsing van de leveringsdatum zijn gehouden. Zij is weliswaar op 3 en 6 november 2025 verzocht om mee te werken aan de levering en op 7 november 2025 is zij daartoe gesommeerd, maar zij is verrast door deze berichten, aldus, in de kern, [gedaagde] .
4.3.
Het dossier bevat geen schriftelijk stuk(ken) waaruit blijkt van de nadere afspraken over verplaatsing van de leveringsdatum voor de woning naar de datum van 31 oktober 2025. Of [gedaagde] hierin is gekend en of zij daarmee heeft ingestemd valt binnen het bestek van dit kort geding niet na te gaan. De stelling van [eiser] dat [gedaagde] van de hoed en de rand weet en dat de makelaar, die door haar zelf is uitgekozen, haar van alles op de hoogte heeft gehouden, kan evenmin getoetst worden. Dat de communicatie rondom het verplaatsen van de leveringsdatum niet eenduidig is blijkt wel uit de omstandigheid dat [gedaagde] eerder een sommatie heeft ontvangen waarin zij is gesommeerd om uiterlijk op 24 november 2025 (in plaats van de later genoemde datum van 18 november 2025) haar medewerking aan de levering te verlenen. Voor de beslissing in deze zaak is het echter niet nodig om precies vast te stellen hoe de communicatie verlopen is omdat [gedaagde] ter zitting te kennen heeft gegeven dat [naam 1] (een van de kopers) van dit alles niet de dupe mag worden. [gedaagde] heeft ook verklaard dat er gewoon geleverd kan worden, maar dat zij wel een bedrag van € 6.000,- wil ontvangen die [eiser] haar ten onrechte zou onthouden. Zij heeft in dat verband aangevoerd dat [eiser] een geretourneerde borgsom van een huurder naar zijn privérekening heeft laten overmaken. Ook zou zij nog een loonvordering op (de onderneming van) [eiser] hebben.
4.4.
Binnen het bestek van dit kort geding kan niet vastgesteld worden of [gedaagde] recht heeft op (een deel van) het genoemde bedrag van € 6.000,- en/of achterstallig loon. Hiertoe heeft [gedaagde] overigens ook geen vordering(en) ingesteld. Wel kan worden vastgesteld dat zowel [eiser] als [gedaagde] als uitgangspunt nemen dat de koopovereenkomst nog steeds gelding heeft en dus verplichtingen met zich brengt. In dat licht kan [gedaagde] haar medewerking aan uitvoering van de koopovereenkomst door te bewerkstelligen dat de woning aan kopers geleverd zal worden, niet afhankelijk maken van de vraag of [eiser] haar het bedrag van € 6.000,- betaalt. De vraag of [eiser] hiertoe gehouden is kan zo nodig betrokken worden bij de afwikkeling van de verdeling van de huwelijkse gemeenschap. Voor nu is het in het belang van [eiser] , en overigens ook [gedaagde] zelf, dat zij jegens kopers niet in verzuim raken zodat kopers aanspraak kunnen maken op de contractuele boete van 10% van de koopsom zoals volgt uit de koopovereenkomst en zoals kopers al hebben aangekondigd. Omdat [gedaagde] in het buitenland verblijft en het de vraag is of zij tijdig zorg kan en zal dragen voor het verstrekken van een nieuwe machtiging aan de notaris op basis waarvan tot levering overgegaan kan worden, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om op grond van artikel 3:300 lid 2 Burgerlijk Wetboek te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de verklaring(en) van [gedaagde] die nodig is(/zijn) om de leveringsakte (conform productie 4 van de dagvaarding zoals aangehecht aan dit vonnis) voor het appartement aan de [adres 1] te ( [postcode] ) [plaats] uiterlijk op 18 november 2025 bij de notaris te passeren.
4.5.
Voor toewijzing van het door [eiser] gevorderde bedrag van € 1.247,- aan buitengerechtelijke kosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. Nog daargelaten dat ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden is, geldt dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij deze vordering een spoedeisend belang heeft.
4.6.
In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de verklaring(en) van [gedaagde] die nodig is(/zijn) om de leveringsakte (conform productie 4 van de dagvaarding zoals aangehecht aan dit vonnis) voor het appartement aan de [adres 1] te ( [postcode] ) [plaats] uiterlijk op 18 november 2025 bij de notaris te passeren;
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt; en
- wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op
14 november 2025.
ddg